Acupunctuurpraktijk Huan Mai

Een westerse Medische beschrijving van het mechanisme van acupunctuur en shiatsutherapie                                     - Voor intercollegiaal overleg en voor geinteresseerden -   

De inhoud van dit verhaal is geschreven aan de hand van persoonlijke inzichten. Gedeeltelijk is het weten-schappelijk onderbouwd, gedeeltelijk bestaat het uit hypotheses. Het is op geen enkel moment de bedoeling om hiermee medisch advies te verstrekken, of een medische diagnose te stellen. Ik wijs dan ook elke verantwoordelijkheid hieromtrent af. De manier waarop ik acupunctuur uitoefen in mijn praktijk, is gebaseerd op protocollen volgens de Traditionele Chinese Geneeswijze, zoals deze onderwezen wordt op de door mij in 2011 afgeronde acupunctuur opleiding en in 2008 afgeronde Shiatsu opleiding.

Er wordt een poging ondernomen om het mechanisme van acupunctuur volgens de Traditioneel Chinese Geneeskunde (TCG) uit te drukken in koper-, zink-, en magnesiumion afhankelijke mechanismen. Gesteld wordt, dat de wetmatigheden in de Traditionele Chinese Geneeskunde waar zijn. Wanneer deze TCG wetmatigheden worden uitgedrukt in de Reguliere Biochemie en Fysiologie, welke nieuwe uitspraken levert dit op voor de Reguliere Biochemie en Fysiologie? Voor acceptatie van TCG door de Reguliere Genees-kunde kan het bijdragen, als deze nieuwe uitspraken bevestigd worden door toekomstig onderzoek. Enige kennis van biochemie en fysiologie en van de traditionele Chinese geneeskunde kan nodig zijn om het verhaal beter te kunnen volgen.

Uitgangspunt is het wetenschappelijke resultaat dat rond een geprikt acupunctuurpunt een toename van koper-, zink en ijzerionen ontstaat [1]. Deze ionen zink-, koper- en ijzerionen, spelen een belangrijke rol spelen als cofactor bij enzymen, en versnellen chemische reacties of maken deze mogelijk. Elk ion speelt bij andere enzymen - en daarom bij andere biochemische reacties - een rol.

Bij insertie van een naald tijdens een acupunctuurbehandeling wordt de huid en onderliggen weefsel een klein beetje beschadigd en speelt daarom het immuunsysteem een rol. Het gaat hier met name over macrofagen die een belangijke rol spelen bij het aangeboren immuunsysteem als bij het adaptieve immuunsysteem [44-46]. Twee typen macrofagen spelen hier een rol. In een eerste fase produceren de type M1 macrofagen bepaalde moleculen, NO-radikalen, waarmee ze bacterien, virussen en andere lichaamsvreemde deeltjes aanvallen. Bij de vorming van NO-radicalen staat het sleutelenzym NOsynthase centraal, een enzym dat afgeremd wordt door zinkionen. In een later stadium produceren de type M2 macrofagen het groeihormoon ornithine, dat gebruikt wordt bij het herstel van het beschadigde weefsel. Bij de vorming van ornithine speelt het sleutelenzym ornithine decarboxylase een rol, een enzym dat wordt gestimuleerd door zinkionen. In een vroeg stadium overheersen de M1 macrofagen, later nemen de M2 macrofagen het over. Zowel M1 als M2 ontwikkelen zich uit dezelfde macrofaag. M2 produceert het efficientst ornithine, bij voldoende zinkionen in zijn cytoplasma, M1 wordt door deze zinkionen wat minder efficient in de productie van NO radikalen.

Omdat rond een geprikt acupunctuurpunt ook zinkionen ontstaan [1], kan acupunctuur bijdragen aan de optimale werking van M2 macrofagen. M1 en M2 komen vaak tegelijk voor. Wetenschappelijk onderzoek heeft een toename van M2/M1 gevonden, na acupunctuur [44]. Bijlage 2 beschrijft de samenwerking van milt en lever in het immuunsysteem. Interessant is dat er een circadiaans ritme is in meridiaan activiteit, daarom in orgaanactiviteit, waarbij beschikbaarheid van zink-, koper- en magnesiumionen moduleert gedurende 24 uur: M1 en M2 (aanval en herstel) vinden in dat geval, in principe op verschillende tijdsmomenten op de dag plaats.

Een link naar de pdf versie van dit verhaal:

Westers Medische beschrijving van het werkingsmechanisme.


Regulier gemeten deficienties in koper- zink- en magnesiumionen passen (in milde vorm) bij een aantal vragen die in de TCG anamnese gesteld worden, leidend tot TCG diagnostiek

Zink deficientie kan onder anderen leiden tot anorexia, diarree, verande-ring in het immuunsysteem, huidafwijking zoals acne, geirriteerdheid, en depressie. Deze opsomming doet denken aan TCG kenmerken van maag- en milt meridiaan. Het maagslijm beschermt de maagwand tegen maagzuur. Zinkionen spelen een rol bij de synthese van maagslijm. Bij voldoende maagzuur is er een betere opname van zink-, magnesiumionen en vitamine B12 (vorming van intrinsieke factor) [71,72].

Een koper deficientie kan samen gaan met anemie, leukopenia (tekort aan witte bloedcellen), neuropathie en optische neuropathie. Koper speelt een rol bij de synthese en afbraak (en dus timing) van dopamine en (nor)adrenaline. Dopamine speelt een rol bij beloning van doelgericht gedrag, bij pijnvermindering en bij onrust. Voor de synthese van dopamine speelt tyrosinehydroxylase een rol en voor de afbraak van dopamine is dit monoamineoxidase. Voor de omzetting van dopamine naar noradrenaline is het koperafhankelijke enzym dopamine beta hydroxylase nodig [93]. De lever is verantwoordelijk voor de handhaving van de koperhomeostase [102]. Schildklierhormonen (T3, T4) verhogen de productie van ceruloplasmine en andere koper chaperones (ATPase7A en ATPase7B) in de lever [102]. Een van de functies van de lever is ontgifting, want onder meer plaatsvindt via de het koperafhankelijke (en zinkafhankelijke) enzym superoxide dismutase [73]. Koperionen zijn ook betrokken bij de opname van ijzerionen in elke cel [41]. Dit lijkt op TCG kenmerken van lever en galblaas meridiaan en op het TCG begrip bloedleegte.

Tenslotte kan een magnesium deficientie gepaard gaan met vermoeidheid, constipatie, diarree, kramp, oedeem, misselijkheid, brok in keel, irritatie, overgevoeligheid en angst [2]. Ook kunnen palpitaties optreden, braken, slecht geheugen, slapeloosheid, hoge bloeddruk en migraine. Dit zijn kenmerken die passen bij het TCG begrip yinleegte of Qi stagnatie en stijgend yang. Een positieve invloed op magnesium heeft: voldoende lichamelijke oefeningen, afgewisseld met voldoende rust en slaap [3]. Dit is een beschrijving die ook bij het TCG begrip ''Yin'' past.


Voorbeelden van wetenschappelijk onderzoek van het effect van een acupunctuurbehandeling op koper- en zinkionen:

(1) Acupunctuur kan een verzachtende werking hebben bij depressie. In de hersenen is bij depressie een toename van de ratio van concentratie koper/zink gemeten. Acupunctuur verlaagde deze ratio. Ook een antidepressivum verlaagde deze ratio [4].

(2) Acupunctuur verbetert de menstruatiecyclus (qua regelmatigheid en bloedverlies). In de baarmoeder is er een verlaagde cu/zn gemeten in de periode tussen menstruatie en ovulatie (de periode van oestroge-nen) en een verhoogde cu/zn in de periode tussen ovulatie en menstruatie (minder oestrogenen, meer progesteron) [5]. Oestrogenen hebben een positieve invloed op de koperabsorptie via de darmwand [6].


Reguliere fysiologie van zinkionen:

(1) Zinkionen zijn betrokken bij insuline synthese in de pancreas. Insuline wordt door de pancreas afgegeven aan het bloed om via receptoren in alle lichaamscellen de opname van glucose in betreffende cel te bewerkstellingen. In deze receptor speelt zink ook een belangrijke rol. Bij diabetes mellitus type 2 (DM2) treedt insuline ongevoeligheid op: de receptor voor insuline werkt minder goed. Voldoende lichaamsbeweging kan het ontstaan van diabetes mellitus 2 (DM2) vertragen [7][8]. Bij voldoende lichaamsbeweging zijn er meer mitochondriën in de spieren van het lichaam [9]. Er bevinden zich dan ook veel koper-, zink- en magnesium ionen in de mitochondriën. De mitochondriën vormen een reservevoorraad van koper zink en magnesium, die tijdelijk vrijkomen bij toename van lichaamsbeweging en bij prikken.

(2) Het limbische systeem in de hersenen, dat controle uitvoert over emoties, cognitie en motor functie, en gerelateerd is aan depressie, angst, aandacht en geheugenprocessen, heeft een relatief hoge concentratie ijzer, zink, koper en selenium [10].

(3) Veel zinkionen komen voor in de spieren, hersenen, in de darmen, en in ogen. Ook spieren bezitten veel mitochondriën.


Gedrag, sets van spierbewegingen en associatie met meridianen

Centraal in de beschrijving staat het schema van Wu Xing, dat in Figuur 1 is weergegeven. Elk van de vijf fasen beschrijft een tweetal meridianen, welke in lengte-richting over het lichaam lopen, over armen of benen. Een van de vijf fase beschrijft vier meridianen. Het vijf fasen model van Wu Xing beschrijft relaties tussen meridianen.

Verschillende scholen relateren meridianen aan beweging, zoals bijvoorbeeld de pijnbestrijdingsmethode van Tan.Een onderdeel van de behandeling volgens de methode van Tan, is beweging. Na insertie van een naald wordt een ander ledemaat bewogen: een goede locatie betekent dat de pijnklacht binnen 30 seconde afneemt.

De vijf fasen water, hout, vuur, aarde en metaal worden in verband gebracht met vijf verschillende gedragingen: water met slapen, hout met jagen, vuur met relatie tot groep, aarde met voeding dat klaar voor je staat, eten, en metaal met sorteren. Fase water is geassocieerd met de blaasmeridiaan: liggen slapen en opstaan, ontspant en activeert de spieren rondom de blaasmeridiaan. Fase hout is geassocieerd met de spieren rondom de galblaasmeridiaan: kiezen om naar links of naar rechts te bewegen om het doel te vangen. Fase aarde is geassocieerd met de spieren rondom de maagmeridiaan: bewegen naar het eten dat zich voor je bevindt. Fase metaal is geassocieerd met de spieren rondom de dikkedarm meridiaan die op de armen gelocaliseerd is. Tijdens het sorteren van objecten voor je, worden de armen een klein beetje opgetilt voor het verplaatsen ervan. Op het moment dat de armen zich bij deze handeling in de lucht bevinden, worden de spieren rondom de dikkedarm meridiaan geactiveerd. Fase vuur is geassocieerd met spieren rondom dunnedarm meridiaan en driewarmermeridiaan. Armen omhoog oprichtend is de houding dat een kind contact zoekt met zijn verzorger. Dit gaat over de keuze voor het delen van een emotie. Volgens de TCM is de functie van de dunne darm ''het goed waarnemen van een relevante emotie, geselecteerd tussen alle waarnemingen''. De beweging van beide armen opzij: de keus of de armen hierbij naar links of naar rechts bewegen beschrijft het volgende gedrag: wil je iemand of een object ontmoeten of juist op afstand houden. Past de behoefte van de omgeving bij jouw behoefte. Dit proces beschrijft de driewarmer meridiaan. Dit is  vereenvoudigd beschreven: in feite gaat het per element of fase om koppels van twee meridianen, een yinmeridiaan en een yangmeridiaan. Elk van de zes yangmeridianen is gekoppeld met een andere yinmeridiaan.

             Diverse competities tussen zink- en koperionen, en tussen zink- en magnesium ionen zijn in het artikel in verband gebracht met verschillende TCG begrippen, zoals bepaalde faseovergangen in het Wu Xing model (controle stappen) en de drie warmers.

Figuur 1: Tussen de fasen vinden diverse competities plaats (rode pijlen), namelijk tussen zink- en koperionen, en tussen zink- en magnesium ionen (controle stappen). Tijdens fase water en metaal neemt de hoeveelheid mitochondriën toe. Tijdens fase hout en vuur neemt de hoeveelheid mitochondriën af. Prolactine stimuleert mitogenese (vorming van nieuwe mitochondriën) [24]. Prolactinesynthese heeft magnesium nodig als cofactor [25]. Tijdens het begin van de slaap is er een toename van prolactine [26]. Prolactine en dopamine zijn antagonisten [27]. Dopamine gaat samen met afname van mitochondriën [28]. Dopamine remt serotonine [29]. Serotonine productie is afhankelijk van zinkionen. Zinkionen in de mitochondriën bevorderen de citroenzuurcyclus, zodat citroenzuur naar het cytosol gaat en gebruikt wordt voor de synthese van cholesterol. Steroidhormonen zoals cortisol, oestrogenen, progesteron (van oestrogenen gesynthetiseerd) en testosteron hebben cholesterol als bouwsteen.


Het werkingsmechanisme: rol van mitochondriën.

Normaal gesproken wordt de stevigheid van de lokale bindweefselstruktuur beinvloed door de activiteit van spieren in de buurt van het acupunctuurpunt (zie verderop in de tekst: het koperion-afhankelijke lysyloxidase speelt hierbij een rol). Hersenen ontvangen via zintuigen (proprioceptie) informatie over stand en beweging van lichaam en ledematen. Hersenen herleiden uit de activiteit van groepen spieren, een bepaald gedrag. Als reactie hierop, sturen de hersenen het lichaam bij, door middel van hormonen en neurotransmitters. Een meridiaan wordt beschouwd als een set van spiergroepen die relatief meer actief zijn bij gedrag dat geassocieerd wordt met deze meridiaan.

Prikken van een acupunctuurpunt geeft verbetering aan de kwaliteit, de elasticiteit, en de mate van stevigheid van de lokale bindweefsel structuur rond een acupunctuurpunt. Als bevestiging voor een geschikte puntformule voor een patient, wordt vaak het betreffende punt bij de patient eerst gepalpeerd, om de mate van stevigheid en gevoeligheid te bepalen. Gevoeligheid kan een indicatie zijn voor geschiktheid van het punt om te prikken.

Rond een geprikt acupunctuurpunt is een toename van koper-, zink en ijzerionen gemeten [1]. Dit kan leiden tot verbetering van stevigheid en elasticiteit van het lokale bindweefsel rond het acupunctuurpunt. Bij dit proces spelen mitochondriën een rol. Mitochondriën in de cel kunnen zowel energie (in de vorm van het te gebruiken energierijke molecuul ATP) als warmte produceren. Dit geldt bijvoorbeeld voor bindweefselcellen, spiercellen, zenuwcellen, levercellen, niercellen, en cellen in de pancreas. Hoeveel warmte er nodig is, wordt mede bepaald door de locatie van de cel en mitochondriën in het lichaam. Op een voet is meer behoefte aan lokale warmteproductie dan in de huid op de romp. De benodigde energie (in de vorm van ATP moleculen) ter plekke van de cel, is afhankelijk van lokale spieractiviteit, en daarom ook van het type gedrag.

Voor de productie van energie en warmte hebben de mitochondriën de ionen koper, zink, ijzer en magnesium nodig. (Van de oxidatieve fosforylering heeft complex 4 koperionen als cofactor, en complex 5 magnesiumionen als cofactor). Koper ionen en magnesiumionen zijn als cofactor ingebouwd in de enzymen van de mitochondriën: voor hun effect op de mitochondriële productie van warmte en energie ATP, zoals later in de tekst zal blijken, is vorming van nieuwe mitochondriën nodig. Zinkionen zijn geen cofactor , maar binden zich aan de buitenkant van complex III in de mitochondriën [92]. Hiermee beinvloeden de zinkionen de reactiesnelheid via een conformatieverandering en is de reactie van mitochondriën op zinkionen sneller.

Figuur 2: Oxidatieve fosforylering in de binnenste membraan van het mitochondrium. Eerst wordt energie van protonengradient opgebouwd, met behulp van complex I, II, III en IV. Zink remt complex III, Koper stimuleert complex IV. Hierna is er de keus uit twee opties: twee reacties zijn mogelijk, waarbij de enerige van de protonengradient wordt verbruikt: (1) de vorming van ATP met het magnesiumion-afhankelijke complex V. (2) de vorming van warmte met behulpt van het ''ontkoppelingseiwit''.


Cytosol

In het werkingsmechanisme voor TCG wordt onderscheid gemaakt tussen de ruimte in de mitochondriën in de cel en in het cytosol in de cel. Wanneer mitochondriën meer behoefte hebben aan bijvoorbeeld zinkionen, zullen er meer zinkionen van cytosol naar de mitochondriën verplaatsen, en zal in het cytosol minder zinkionen overblijven. Hetzelfde geldt ook voor koperionen en voor magnesiumionen. Bij een grotere vraag naar ATP zullen de mitochondriën meer behoefte hebben aan magnesiumionen. Is er zowel een grotere vraag naar ATP als vraag naar verwarming, dan zullen de mitochondriën meer behoefte hebben aan koperionen. (zie Figuur 2). Wanneer de cel goed voorzien is van warmte en energie, kunnen de ionen zich verplaatsen naar het cytosol, om daar andere processen, zoals synthese van proteinen te verrichten.

Diverse hormonen worden in het cytosol gemaakt. Ook worden in het cytosol proteinen gemaakt. Een van de proteinen die in elke cel gemaakt wordt is metallothioneine (in bijvoorbeeld lever, nier en milt [94]). Metallothioneine is een transporteiwit voor koper- en zinkionen in het cytosol, en transporteert deze naar de verschillende organellen, zoals het Golgiapparaat (om daar een koperion in een eiwit te bouwen). In het golgi-apparaat wordt een eiwit opgevouwen tot zijn uiteindelijke vorm en wordt een cofactor, het koperion ingebouwd (bij koperafhankelijke enzymen). Een ander type organel vormen de mitochondriën, die een wisselende behoefte hebben aan koper- en zinkionen.

Een ander proteine dat in het cytosol van de bindweefselcel (fibroblast) wordt gemaakt is lysylsoxidase. Lysyloxidase bepaalt de elasticiteit en stevigheid van het bindweefsel in de buurt van het acupunctuurpunt [100]. lysyloxidase heeft een koperion als cofactor. Dit koperion wordt ingebouwd in lysyloxidase in het Golgiapparaat. Beweging van de spieren stimuleert de productie van lysyloxidase. Door de schuifspanning van de spieren onderling en spieren ten opzichte van botten, gaat de bindweefselcel meer lysyloxidase produceren [19]. Vervolgens wordt lysyloxidase uitgescheiden in de extracellulaire ruimte, in niet-actieve vorm. In actieve vorm maakt lysyloxidase in het bindweefsel crosslinks tussen collageen en elastine. Schuifspanning komt veel voor in de buurt van uitsteeksels van bot, waar diverse spieren aan gehecht zijn. Acupunctuurpunten kunnen bijvoorbeeld gelocaliseerd zijn op zo'n punt van schuifspanning. De door het prikken vrijgekomen koperionen kunnen in de bindweefselcel de productie van lysyloxidase efficienter versnellen.

De snelheid van productie van lysyloxidase is afhankelijk van de concentratie zinkionen, koperionen en magnesiumionen in het cytosol. Deze hypothese is als volgt in te zien. Na prikken in een acupunctuurpunt is een toename in metallothioneine gemeten [17]. Zinkionen stimuleren de synthese van metallothioneine [lit]. Metallothioneine vervoert koperionen in het cytosol naar het golgi apparaat, om het daar te laten binden aan lysyloxidase. Hoe meer koperionen in het cytosol, hoe meer ze gebonden zijn aan metallothioneine, en hoe sneller de lysyloxidase productie. Zinkionen spelen als volgt een rol in dit proces: op de bindingsplaats op metallothioneine voeren koper en zink competitie uit, waarbij koper iets sterker bindt [56]. De competitie tussen zink- en magnesiumionen, zorgt ervoor dat magnesium de synthese van metallothioneine remmen. In onderstaande twee tabellen is het effect van ionen in het cytosol op de vorming van lysyloxidase samengevat.

Tabel 1: (a) effect van ionen op de productie van lysyloxidase in bindweefselcellen. (b) afbeelding van een bindweefselcel waarin lysyloxidase gemaakt wordt. Weergegeven is dat er uitwisseling van ionen tussen mitochondrien en cytosol plaatsvindt. De hoeveelheid ionen Cu, Zn, en Mg bepalen de snelheid van vorming van lysyloxidase in het cytosol. (a) geeft een samenvatting in tabelvorm van het effect per ion op deze snelheid.

                                   


                                        


Verband tussen lokatie van meridianen op het lichaam en hoeveelheid ionen of mitochondriën in die lokatie (hypothetisch).

Figuur 3 laat zien dat de lokatie van een meridiaan (aan de zijkant, achterkant of voorkant van het lichaam) aangeeft, of er relatief behoefte is aan opwarming. De galblaasmeridiaan aan de zijkant is het verst verwijderd van het middelpunt van het lichaam, en is relatief het snelst onderhevig aan afkoeling (waardoor behoefte aan warmteproduktie door de mitochondriën in de spieren langs dit traject, en mogelijk behoefte van deze mitochondriën aan koperionen). De niermeridiaan aan de voorkant is relatief het warmst en meest beschermd. Mitochondriën in spieren langs het traject van de niermeridiaan bezitten mogelijk relatief minder koperionen en meer magnesiumionen, omdat hier meer de nadruk op energieproductie en iets minder op warmte productie ligt (zie figuur 2). Het gaat hier om het effect van omgevingstemperatuur op het lichaam. De ligging van de meridianen, bijvoorbeeld op de romp, beschrijft de warmtebehoefte: de zijkant (galblaasmeridiaan) koelt meer af en heeft de meeste mitochondriën nodig (koper). De vaak beschutte voorkant (niermeridiaan) koelt het minst af. Halverwege (maagmeridiaan) is een tussenpositie: de koperionen in de mitochondriën worden geremd door zinkionen. Ter hoogte van de blaasmeridiaan naast het ruggemerg (backshu punten) bevinden zich wat meer zinkionen [43,85]. Deze beschrijving van een verband tussen lokatie van meridiaan op het lichaam, behoefte aan opwarming bij afkoeling van omgevingstemperatuur, gebaseerd op de bekende rol van cofactoren: koper-, zink- en magnesiumionen binnen mitochondriën, is gebaseerd op redenatie en uiteraard hypothetisch. Wetenschappelijk onderzoek is nodig om hier een definititieve uitspraak over te doen.



Figuur 3 meridianen, lokatie op lichaam en kans op afkoeling bepaald koper-, magnesium- en zinkgehalte.


Toepassing van werkingsmechanisme op shu transporting punten, polsdiagnose en diverse TCM variabelen

Het - hypothetische - werkingsmechanisme wordt nu toegepast op een bepaalde groep acupunctuur-punten: de shu transporting points. Elk van de 12 meridianen bevat deze vijf punten. Figuur 1 beschrijft dat elk van de 12 meridianen toegewezen wordt aan 1 van de 5 elementen in het Wu Xing schema. Binnen het traject van elke meridiaan, d.w.z. op onderarm of bovenarm, is er een extra bijdrage, of accent op 1 van de vijf elementen. Bijvoorbeeld de niermeridiaan (fase Water) heeft op het onderbeen vijf shu transporting punten, waarbij punt Nier 1 aan element Hout wordt toegewezen, en punt Nier 10 aan element water, en zo zijn er nog drie overgebleven fasen die aan nierpunten toegewezen worden. In Figuur 4 is de locatie van deze punten weergegeven.

Een toepassing van deze shu transporting punten is de volgende. Het is een Japanse techniek. Dit kan de situatie zijn dat er een ''stagnatie'' langs het traject van bijvoorbeeld de niermeridiaan optreedt. (Dit kan een litteken zijn, of een blessure. Hierdoor worden bepaalde lichaamsbewegingen relatief beperkt). Dat er wat ''energetisch'' aan de hand is met de niermeridiaan, is te diagnosticeren met het vuurpunt op de niermeridiaan (nier 2). Blijkt dit bij palpatie gevoelig te zijn, dan wordt prikken van het metaalpunt en waterpunt op de niermeridiaan geadviseerd (nier 7 en nier 10). Dit blijkt proefondervindelijk, en wordt al eeuwenlang op deze manier toegepast. Deze strategie is als volgt uit te drukken in het beschreven werkingsmechanisme van TCM in dit verhaal. Hierdoor wordt het mogelijk inzichtelijker op reguliere wijze.

Onderarmen en onderbenen zijn - vergeleken met romp - relatief meer onderhevig aan de omgevings-temperatuur, zodat er andere eisen aan de (hoeveelheid) mitochondriën - op de spieren ter plekke - gesteld worden. De yangmeridianen met hun traject over de spieren bovenop de voet en de handrug, koelen het sterkst op bij de toppen van vingers en tenen. Op teentoppen bijvoorbeeld, zullen de meeste mitochondriën nodig zijn voor opwarming, met de meeste behoefte aan koperionen. Het cytosol kan koperionen afstaan aan deze mitochondriën. Ook - omdat deze situatie continu plaatsvindt - kunnen koperionen van wat verderaf migreren naar deze mitochondriën van vingertoppen (traject yang meridiaan). Onder koperionen van wat verderaf kan worden verstaan: de koperionen van de corresponderende yinmeridiaan (de blaasmeridiaan in het geval van de niermeridiaan). Zie rode pijlen in Figuur 4.

Hoe meer richting knie of elleboog, hoe minder snel er afkoeling plaatsvindt. De benodigde hoeveelheid mitochondriën (zie blauwe stippen in Figuur 4 onder kopje yangmeridiaan) neemt bij de yangmeridianen af. Richting knie zullen er meer mitochondriën richting bijhorende yinmeridiaan bevinden (zie blauwe stippen onder kopje yinmeridiaan). Prikken in een locatie met veel mitochondriën zal relatief veel koper- , ijzer- en zinkionen vrij laten komen. De acupunctuurpunten in figuur 4 met relatief veel blauwe stippen zijn de metaal en waterpunten.

De reden dat een vuurpunt diagnostische waarde heeft is de volgende. Een ''stagnatie'' of blokkade van energie van een meridiaan (ofwel minder gebruik van set van spieren langs deze meridiaan), zal de hoeveelheid mitochondriën op dat traject laten afnemen. (Minder spiergebruik geeft een kleinere hoeveelheid mitochondriën). Het spiergebruik dat er is, zal eerder leiden tot spierpijn, als er minder mitochondriën aanwezig zijn. Er is dan minder ATP productie - door de mitochondriën - dan de behoefte. Het cytosol zal de ATP productie overnemen, waarbij lactaat ontstaan, dat zuur is en spierpijn (of in het klein locale pijn bij palpatie) opleveren. Omdat het Vuurpunt (zie figuur 4) het punt is met de minste mitochondriën, zal dit het eerst deze gevoeligheid bij palpatie vertonen. Het vuurpunt heeft daarom een diagnostische bijdrage.

In dit stukje draagt de hypothese over het werkingsmechanisme bij aan begrip voor het ontstaan van de shu transporting punten. Dit is geen bewijs, maar vormt hopelijk wel argumenten, om dit werkings-mechanisme verder te onderzoeken.

Figuur 4: Shu Transporting punten en hoeveelheid mitochondriën. Vuurpunten zijn diagnostisch. Water en metaal-punten zijn geschikte punten om te prikken indien het vuurpunt gevoelig is bij palpatie. UIitleg heeft te maken met de hoeveelheid mitochondriën. Opmerkelijk is, dat de volgorde van de elementen in de shu transporting punten voor yinmeridianen anders is, dan voor yangmeridianen.



Polsdiagnose.

Ook kan het werkingsmechanisme gebruikt worden om de polsdiagnose te beschrijven. Een aantal zaken zijn hierbij van belang:

(1) Een armbeweging heeft invloed op het bloedvat rondom het boteinde onder de duim bij de pols, bij de locatie waar de polsdiagnose plaatsvindt, bij linker- en bij bij rechterpols. Zie Figuur 5. De uitvoering van spierbewegingen zal omringend bindweefsel in het traject van de spieren (meridiaan) wat laten slijten. Bindweefselcellen produceren lysyloxidase, en scheiden deze uit. De beschadigde locatie in het bindweefsel kan een endje verderop liggen, waar het enzym lysyloxidase met andere moleculen geactiveerd wordt. Het bindweefsellaagje rond het bloedvat dat om het polsbot van polsdiagnose ligt zal drukverschil ondervinden tijdens de beweging, behoefte hebben aan onderhoud, en gebruik maken van deze lysyloxidase.

(2) Drie verschillende soorten armbewegingen (langs traject van dikke darm meridiaan, van dunne darm meridiaan en van de driewarmer meridiaan) leiden tot beinvloeding van drie verschillende locaties op het bloedvat ter plaatse van de polsdiagnoselocatie. Deze drie bewegingen zijn: een armbeweging die de armen naar boven beweegt (dunne darm meridiaan), een armbeweging die de armen naar voren en opzij (keuze naar links of naar rechts) beweegt, en een armbeweging die de armen naar voren (sorteren, opruimen) beweegt. Duizenden jaren geleden is proefondervindelijk gevonden, dat bij de polsdiagnose er drie posities van belang zijn, passend bij de beschreven meridianen: (a) distaal, de duimpositie: armen naar beneden, (b) middenpositie: armen naar opzij, en (c) proximaal, de armen naar boven. Dit zegt dit iets de locatie van de slijtage / waar de reparatie plaatsvindt, en waar de geactiveerde lysyloxidase zijn werk kan doen. De diffusie van de door de bindweefselcel uitgescheiden lysyloxidase via lichaamsvocht (niet via bloedvaten) wordt mogelijk moeizamer als de armen omhoog staan of bewegen. Dit heeft als gevolg dat de armbeweging omhoof, dus volgens dunne darm- en blaasmeridiaan een wat meer proximale positie van diens polsdiagnose heeft.

Figuur 5: locatie van de polsdiagnose. De polsdiagnose wordt uitgevoerd bij een deel van het bot, gelegen aan de binnenzijde van de pols aan de duimzijde (de proces-sus styloideus radii). De polsdiagnose verschaft informatie over meridianen, die zowel over armen als benen verlopen. Hoe dit via de pols kan is in reguliere termen een grote vraag. Er bestaan meer dan 28 polsbeelden [66]. Bij de polsdiagnose wordt in feite de elasticiteit van het bindweefsel rond het bloedvat, samen met de activiteit van het spierlaagje rond het bloedvat waargenomen.

            


(3) Bij de polsdiagnose speelt balans, het handhaven van de stand van het lichaam, zonder te vallen, een rol. Wanneer de armen van het lichaam af gebracht worden, zal de romp een compenserende beweging in tegenovergestelde richting maken. Met andere woorden, een commando voor een armbeweging gaat samen met een tonische houdingsverandering van het lichaam, ter handhaving van balans. Een arm-beweging omhoog (dunne darm meridiaan), zal een compenserende beweging maken van strekken van de romp (blaas-meridiaan). Een armbeweging naar opzij, links of rechts, zal een compenserende beweging maken waarbij de romp gaat draaien (galblaasmeridiaan). Tijdens het nuttigen van de maaltijd zullen de armen rustig naar voren staan (energie wordt besteedt aan spijsvertering). De romp buigt wat naar voren (maagmeridiaan). (Overigens betekent dit dat het hersencommando voor een armbeweging ook informatie heeft over de bijbehorende beenbeweging. Hier is wel een neuraal beeld van voorstelbaar).

Deze koppelingen van arm- en beenmeridianen is herkenbaar in de systemen Tai Yang, Shao Yang en Yang Ming. Met dit mechanisme kan informatie over beenmeridianen in de polsdiagnose terecht komen. Een pijnlijke locatie langs het traject van de beenmeridiaan zal het gebruik van spieren rondom deze beenmeridiaan beperken. Dan zal deze beperking ook plaatsvinden langs de bijbehorende armmeridiaan. Dan kan dit waargenomen worden in de polspositie van deze beenmeridiaan.

(4) De conditie (yinleegte, yangleegte, etc) van een meridiaan is nu als volgt af te lezen uit de polsslag ter plaatste van 1 van de 3 polsposities, passend bij de betreffende meridiaan. Hoe meer de armspier (gecombineerd met balans handhavende beenmeridiaan) gebruikt wordt, dat wil zeggen, hoe beter de conditie in dat traject is, hoe meer mitochondriën zich daar zullen bevinden. Een goede conditie van een cel betekent voldoende koperionen in zowel mitochondriën als in cytosol. De polsslag is beinvloed door de elasticiteit van het bindweefsel rond het bloedvat, en door de hoeveelheid beschikbare lysyloxidase ter plaatse. Lysyloxidase wordt door een koperion-afhankelijk enzym geproduceerd in het cytosol van een bindweefselcel. De hoeveelheid lysyloxidase die een bindweefselcel produceert, is daarom afhankelijk van de hoeveelheid koperionen in het cytosol (zie Tabel 1).Tenslotte is de (wat chronischer) conditie van het lichaam (in temen van yin en yang) ook waar te nemen in het spierlaagje rondom het bloedvat van de polsdiagnose.

(5) Een verschil tussen linker- en rechterpols kan als volgt ontstaan. Het feit dat de lever 's nachts de meeste warmte produceert, gecombineerd met de asymmetrische ligging van de lever in het lichaam, kan bijdragen aan het verschil tussen linker- en rechterpols. 's Nachts zal de linkerpols relatief ietsje meer afkoelen, dan de rechterpols. Ter compensatie zullen de mitochondriën links iets meer stoken (meer koperionen in de mitochondriën) en rechts iets minder (meer zinkionen in de mitochondriën die de activiteit in de mitochondriën afremmen). In de bindweefselcellen (en spiercellen) zullen aan de linkerzijde van het lichaam iets meer mitochondriën zijn, of iets actiever mitochondriën. Uit het cytosol (linkerzijde) worden koperionen geleend, zodat het cytosol minder lysyloxidase kan produceren (zie Tabel 1). De linkerpols is daarom gevoeliger voor een kopertekort.

Een dergelijke redenatie kan worden gegeven voor zinkionen, zodat de rechterpols gevoeliger is voor een zinktekort. In deze redenatie wordt gebruikt dat in de rechterpols (wat meer) zinkionen de mitochondriën afremmen, omdat er minder warmte productie nodig is, omdat de cel zich ''dichterbij'' de lever bevindt. Lysyloxidase heeft zinkionen nodig in zijn vorming: zinkionen stimuleren de productie van metallo-thioneine in het cytosol: metallothioneine brengt koperionen naar het golgi apparaat, om ingebouwd te worden in lysyloxidase. Meer zinkionen in de mitochondriën betekent minder zinkionen over in het cytosol. Linker-pols en rechterpols samen leveren daarom zes verschillende polsposities op, die in principe door zes verschillende meridianen worden beinvloed.

(6) Behalve dat de linkerpols eerder een kopertekort meet , wordt daar ook eerder een ijzertekort en magnesiumtekort gemeten. Voor de opname van ijzer in elke lichaamscel zijn koperionen nodig [41]. (Hoe dit evolutionair gezien ontstaan is wordt beschreven in Bijlage 1 na de literatuurlijst). Als de mitochondriën teweinig koperionen bezitten, zullen de mitochondriën ter compensatie meer magnesium gebruiken (hypothese).

(7) Er zijn geen zes meridianen maar 12 meridianen: 6 yinmeridianen en 6 yangmeridianen. Een diepe pols staat voor yangleegte. Een oppervlakkige pols staat voor yinleegte. Het verschil tussen een diepe en een oppervlakkige pols ontstaat als volgt. Gesteld is dat magnesium tekort een vorm van yinleegte is. Een magnesiumtekort in het cytosol stimuleert de vorming van lysyloxidase (zie Tabel 1). Dit komt omdat tussen magnesium en zinkionen competitie is, en omdat zinkionen de vorming van metallothioneine stimulieren. Een magnesiumtekort in het cytosol kan ontstaan als de mitochondriën meer magnesium nodig hebben. Hierdoor zal er meer lysyloxidase geproduceerd worden en een steviger bloedvatwand ontstaan.

Een diepe pols staat voor yangleegte. Een kopertekort is een vorm van yangleegte. In de winter wordt de warmte binnengehouden, bloedvaten versmallen in de oppervlakkige huidlagen, zodat zij minder warmte afgeven. De mitochondriën moeten meer stoken, meer koperionen gaan naar de mitochondriën. Er blijven minder koperionen over om lysyloxidase te produceren. Oppervlakkig is er meer afkoeling dan in de diepte, vandaar de diepe pols.

De Wu Xing elementen beschrijven yin yang koppels van twee meridianen. Een yangmeridiaan is relatief meer herleid van spierbewegingen, en een yinmeridiaan is relatief meer herleid van het verzorgen van de spieren, toevoer van voedsel naar de spieren en afvoer van afval. Bij de beschreven fysiologie gerelateerde gedrag en sets van spierbewegingen gaat het daarom in feite over het koppel yin yang meridianen.

(8) Een grote pols kan ontstaan , als de lever bij een ontsteking meer koperionen afstaat aan het bloed. Hierdoor zijn er meer koperionen in het cytosol van de bindweefselcel, waardoor meer lysyloxidase geproduceerd kan worden.


Seizoensinvloeden op de pols

De vier seizoenen winter, herfst, zomer en lente geven elk een effect bij het polsbeeld, wat als normaal wordt verondersteld: Winter, herfst, zomer en lente geven respectievelijk: een diepe pols, oppervlakkige pols, grote pols en stagnatie in de pols. TCM beschouwt nog een vijfde seizoen, de nazomer met een glijdende pols. Deze polsbeelden kunnen beschreven worden in koper-, zink- en magnesium. Dit gebeurt met het beschreven effect van de metaalionen op metallothioneine en op lysyloxidase, en dus op de stevigheid van de wand van het bloedvat (zie Tabel 1). De seizoenen zijn verschillend in temperatuur, vochtigheid, zonlicht, behoefte aan lichaamsbeweging en beschikbare hoeveelheid voedsel. Zie Figuur 5. Zonlicht stimuleert de vorming van vitamine D. Vitamine D remt het ontkoppelingseiwit in de mitochondriën, en het ontkoppelingseiwit remt indirect de vorming van ATP door de vorming van warmte te stimuleren (ontkoppeling van de protonengradient waarmee anders ATP gevormd zou worden).

Samengevat, is voor het begrijpen van polsdiagnose in regulier westers fysiologische termen, de aanname nodig dat een armbeweging en diens bijbehorende balanscorrigerende lichaamsbeweging, romp en benen, aangestuurd worden met 1 gemeenschappelijk neuraal commando. Vermoedelijk gaat het leerproces van deze associatie van bewegingen wel sequentieel en deels reflexmatig. Uiteindelijk zou het 1 patroon zijn.

Figuur 5: Seizoenspolsen uitgedrukt in koper-, zink- en magnesium. Een volle grote pols in de zomer, heeft te maken met het feit dat er weinig verwarmd hoeft te worden, en de mitochondriën minder koperionen nodig heeft. Een diepe winterpols heeft het omgekeerde effect. Een koord pols in de lente heeft strakheid en een te kleine slag. De te kleine slag ontstaat doordat er ATP tekort is (er wordt in de lente gejaagd/gezocht naar voedsel, veel ATP verbruikt, maar voordat er een prooi gevangen wordt, is er nog weinig voedsel beschikbaar). Hierdoor ontstaat stress, er komt adrenaline vrij dat de lever aanzet tot afgifte van koperionen aan het bloed. Bindweefselcellen kunnen daardoor meer lysyloxidase produceren. Een glijdende pols in de nazomer heeft slapper, elastischer bindweefsel met veel mitochondriën in de spierlaag rond het bloedvat. In de nazomer is er een overvloed aan voedsel, fruit (sucrose). Er is meer voedselaanbod dan er verbruikt wordt: de mitochondriën dienen afgeremd te worden door zinkionen. Hierdoor zijn er minder zinkionen in het cytosol, waardoor minder lysyloxidase geproduceerd wordt door de bindweefselcellen (zie Tabel 1). De glijdende pols heeft een relatief grote slag: er is ATP genoeg voor het spierlaagje om het bloedvat. Het najaar  heeft minder zonlicht, en er is kans op afname van de vorming van vitamine D in de huid. Een vitamine D tekort kan leiden tot een oppervlakkige pols (hypothese). In de zomer ondersteunt vitamine D, dat onder invloed van zonlicht in de huid geproduceerd wordt, de werking van magnesium in de mitochondriën [112]. Hierdoor is er minder magnesium in de mitochondriën nodig, en komt er meer magnesium in het cytosol, en zal er minder lysyloxidase geproduceerd worden (zie Tabel 1). In het najaar neemt de hoeveelheid zonlicht af, neemt vitamine D af, is er minder magnesium in het cytosol, en zal er meer lysyloxidase gevormd worden (zie Tabel 1). Stel, inde oppervlakkiger regio van het bloedvat heeft in principe de vorming van vitamine D in de zomer plaatsgevonden, dan zal daar aan de oppervlakte het bindweefsellaagje van de polswand stijver zijn. Een opgebouwd vitamine D tekort zal daarom mogelijk - althans volgens de gebruikte redenatie - eerder leiden tot een oppervlakkige pols.





Yin, Yang, hitte, kou, damp, slijm, wind, bloedleegte en droogte in termen van koper-, zink- of magnesiumionen.

Vervolgens worden een aantal TCM variabelen gerelateerd aan koper-, zink- en/of magnesium ionen. In Figuur 6 staat kort omschreven hoe deze relatie gelegd wordt.

Figuur 6: Enkele TCG variabelen uitgedrukt in koper-, zink- en magnesiumionen. De eerste tabel beschrijft twee yin-yang koppels: zinkion-koperion en magnesiumion-zinkion. In het tweede koppel is droogte geassocieerd met een magnesiumtekort.

In deze context past dat in de tongdiagnose cracks, of barstjes in de tong staan voor yinleegte [54]. In de huid van de tong bevinden zich sneldelende cellen, waarbij conditie van de mitochondrien een rol spelen, en wat vermoedelijk de reden is dat de tong voor TCM diagnostische waarde heeft. Een deficientie in vitamine B (B1, B2, B3, B6 of B12) kan glossitis veroorzaken [9]. Glossitis is een ontsteking van de tong, wat ook pijnloos kan zijn. B12 tekort kan de tong een ''biefstuk achtige indruk'' geven: veel fissuren en een rode tong. Magnesium deficientie verslechtert de opname van vitamine B. (Maar omgekeerd kan het slikken van veel vitamine B ook magnesium ''verbruiken''). Volgens TCM kan de lever ook yinleegte hebben: een aantal vitamine B's zoals B6, spelen een belangrijke rol bij goed functioneren van de lever. Dit geeft een beschrijving dat cracks in de tong en yinleegte in de lever, via vitamine B tekort, met magnesiumtekort kunnen samenhangen.

De tweede tabel beschrijft de TCM begrippen ''hitte'' en ''kou''. Beide termen zijn onder te verdelen in ''een leeg'' en een ''vol'' type. Deze redenatie is gebaseerd op de rol van koper, zink en magnesiumionen in mitochondrien. Figuur 2, het laatste schema met de pijlen vormt de basis van deze redenatie. De derde tabel beschrijft een aantal aspecten van het TCM begrip damp en het TCM begrip slijm. Damp is een aspect van ontsteking, waarbij vocht wordt vastgehouden. Damp kan geassocieerd zijn met synthese van lipiden en cholesterol, welke start in de mitochondrien door de aanwezigheid van extra zinkionen in de mitochondrien (waardoor mogelijk weinig zinkionen in het cytosol). Slijm ontstaat, als er teveel glycoproteinen in het bloed komen, wat ontstaat bij teveel glucose in het bloed. Zinkionen stimuleren de opname van glucose in elke cel. De vierde tabel beschrijft de TCM termen wind, bloedleegte en bloedhitte. Wind is een symptoom dat zich telkens verplaatst en kan veroorzaakt worden door een slechtere leverfunctie (TCM aspect van lever). Bij geleiding van zenuwen spelen koperionen en vitamine B12 een rol. Mitochondrien spelen een belangrijke rol bij geleiding [115]. Bovendien maakt een actiepotentiaal gebruik van natrium- en kalium kanaaltjes, in de vorm van actief transport. Actief transport is een proces dat energie nodig heeft, ATP, welke door de mitochondrien geproduceerd wordt. Bloedleegte kan betrekking hebben op het gegeven dat door een koperiontekort een ijzeriontekort kan ontstaan. Om ijzer te laten opnemen is een redox reactie nodig van ijzer, en dit gebeurt via koperionen, gebonden aan hun tranporteiwit in het bloed, ceruloplasmine. Het TCM begrip bloedhitte kan samengaan met het snel ontstaan van bloedingen. Bloedstolling heeft een koperafhankelijk proces. Gelet op de metaalionen waar de termen van afhankelijk zijn, is af te leiden dat damp eerder in de rechterpols gediagnosticeerd wordt en bloedleegte, en yinleegte eerder in de linkerpols.




                  


      


       


Wetenschappelijk onderzoek

Tenslotte worden in de uitgebreidere versie waar de link naar verwijst, enkele wetenschappelijke onderzoeken geinterpreteerd volgens bovenstaand verhaal [11-17]. Recent onderzoek toont een verband aan tussen een zinktekort en Yang leegte, en tussen een magnesiumtekort en Yin leegte met lege hitte (Teng, 2015, [11]). In het bloed van patiënten met hepatitis B en lever cirrhose zijn zink, ijzer, koper en magnesium gemeten. De TCG diagnose van deze hepatitis patiënten was divers, wat vaak voorkomt in TCG. Van alle TCG diagnoses had de diagnose ''damp'' de laagste zink concentratie in het bloed. TCG beschrijft dat damp samengaat met Yangleegte. Van alle TCG diagnoses had de diagnose ''toxische hitte'' de laagste magnesium concentratie in het bloed. Dit past bij het idee dat er lege hitte is gevormd kan worden door een magnesium deficientie. Het chronische karakter van de ziekte en de bijbehorende verhoging zal vermoedelijk koper uitputten, en magnesium uit het cytosol naar de mitochondriën laten gaan. Hierdoor ontstaat in het cytosol, maar blijkbaar ook in het serum een magnesiumtekort.

Dat acupunctuur bij pijn werkzaam is, is het meest bekend in de maatschappij. Pijn kan acuut zijn, zoals bij spierpijn, na langdurig gebruik van betreffende spier, en daarbij lactaat ontstaan is, of bij ontsteking. In principe heeft het een beschermende werking, opdat de locatie van de pijn minder gebruikt wordt, totdat herstel of genezing is opgetreden. Na herstel zou de pijn weer moeten afnemen. Pijn over langere termijn, chronische pijn heeft een ander biochemisch mechanisme, dat nog niet geheel duidelijk is. Bij pijn is de neurotransmitter glutamaat betrokken. Glutamaat-receptoren worden geremd door koper-, zink- en magnesiumionen [35, 38].

Bij chronische pijn is het magnesiumion uit de glutamaatreceptor (de NMDA soort onder de glutamaat-receptoren) vertrokken [106]. In de dorsale wortel van het ruggemerg waar de zenuw loopt, die pijngewaar-wording doorgeeft, komen veel glutamaatreceptoren en purinerge receptoren (waarop ATP en adenosine de neurotransmitters zijn) voor. Wanneer in een celcultuur van cellen uit dorsale hoorn van ruggemerg ATP wordt toegevoegd, wordt glutamaat vrijgegeven [107]. Bij chronische pijn ontstaan in de dorsale wortel meer receptoren voor ATP (P2X4) [108]. Blokkade van deze ATP receptoren geeft afname van de pijn [108]. Acupunctuur, toegepast perifeer (ledematen), geeft een afname van de hoeveelheid ATP receptoren [109, 110]. Dit is goed nieuws en laat zien dat acupunctuur effect heeft op aspecten van het mechanisme van chronische pijn. En op een andere manier: aanvullend, niet met de TCM werkingsmechanisme hypotheses tegenstrijdige. Wat is het fysiologische nut van het effect van acupunctuur? Acupunctuur staat voor een tweede beschadiging wat het lichaam moet taxeren. Dit zou kunnen dienen om de aandacht te verschuiven van de oude pijnlocatie naar de nieuwe pijnlocatie, waarbij het aantal purinerge receptoren in de dorsale wortel afneemt, en dan ook de sensatie van de pijn. De pijnbestrijdings-methode van Tan maakt hier gebruik van, en selecteert acupunctuurpunten op locaties zonder pijn, die vaak betrokken zijn bij een gemeenschappelijke beweging, bijvoorbeeld lopen, waarbij armen en contralaterale benen tegelijk worden aangestuurd. Het gemeenschappelijk neurale traject - in ruggemerg en hersenen - kan bij chronische pijn geleerd hebben de pijn te blijven waarnemen. Mogelijk is het resultaat van de Tan methode een reset van dit gemeenschappelijke deel.

Wat zou de rol kunnen zijn van koper-, zink- en magnesiumionen in dit proces van pijnwaarneming? Zoals hier eerder beschreven is, bepalen deze ionen via lysyloxidase de stevigheid van het bindweefsel in elk acupunctuurpunt. De hersenen lezen via proprioceptie (tastzin, spierspanning) de mate van elasticiteit, volte of leegte in elk acupunctuurpunt en interpreteren dit. Welke spierbewegingen zijn recent veel gebruikt (overbelast) en welke zijn lang niet gebruikt (slap)? Dit kan geassocieerd zijn met welk gedrag en met welke bijpassende fysiologie en organen die relatief meer werken in de context van deze beoordeelde set spierbewegingen (zie Wu Xing schema met vijf elementen in Figuur 1). Een pijnlijke lokale ontsteking beinvloedt de lokale elasticiteit van het bindweefsel, waarbij gesteld wordt dat de koper- zink- en magnesiumconcentratie in de cellen meedoen. Organen beinvloeden deze ionconcentraties: tijdens de spijsvertering komen veel enzymen en zinkionen vrij in de darmen. Deze zinkionen worden mee opgenomen in de bloedsomloop, en komen op gegeven moment ook bij het bindweefsel bij acupunctuur-punten. Als op dat moment - tijdens of vlakna het eten - de spieren net belast zijn, kan lysyloxidase de locale elasticiteit van het bindweefsel bijsturen. Een ander voorbeeld is dat stress (adrenaline) de lever aanzet tot de afgifte van koperionen aan het bloed. Spieren die tijdens deze stress gebruikt worden - wegduiken of je juist goed links en rechts in de ruimte bewegen voor de lichamelijke activiteit die je hebt te doen - worden via lysyloxidase in de buurt van de gebruikte spieren bijgesteld. Koper-, zink- en magnesiumionen dragen op deze manier indirect bij aan het pijnmechanisme. Zoals eerder hier beschre-ven,draagt magnesium ook direct bij aan chronische pijn door Bij chronische pijn is het magnesiumion uit de glutamaatreceptor (de NMDA soort onder de glutamaat-receptoren) vertrokken [106].

In detail: Koperionen remmen de P2X4 receptor in de dorsale wortel van het ruggemerg. Zinkionen stimuleren juist de P2X4 receptor [111]. Zinkionen (behorende bij fase Aarde) spelen een rol bij leren, het versterken van de synaptische verbinding tussen twee neuronen [113]. Glutamaat speelt bij dit leren een rol via diens glutamaat (NMDA) receptoren [113]. Een acute locale beschadiging met acute pijn vertoont eerst een fase waarbij macrofagen type M1 lichaamsvreemde deeltjes en het weefsel aanvallen (en beschadigen, met NO radicalen). Vervolgens - geleidelijk aan steeds meer - treedt er een herstelfase op, waarbij macrofagen type M2 groeihormoon afstaan [44-46]. Het hypothetische werkingsmechanisme van TCM combineert dit proces met een koperfase (M1) gevolgd door een zinkfase (M2). Tijdens de zinkfase, met herstel, is het van belang voorzichtig te bewegen, zodat het herstel passend is bij lichaamsbewegin-gen. Stel dat het lichaam in de herstelfase blijft hangen of reparatie is niet volledig mogelijk. Stel het lichaam ervaart dan nog pijn, dan zou de zinkfase misschien kunnen bijdragen aan het leren van pijn, en leren de set van lichaams-bewegingen zodanig aan te passen, dat de overgebleven pijn vermeden wordt. Over de ''zinkfase'' M2: tijdens voorzichtige spierbewegingen hoeft zink de mitochondriën niet af te remmen, want er is behoefte aan ATP bij spierarbeid. Zink kan vervolgens vertrekken naar het cytosol en misschien van daaruit naar de extracellulaire ruimte en de bloedsomloop. Over de ''koperfase'' M1: door stress, adrenaline, kan de lever koper aan het bloed afgeven. Koperionen remmen de P2X4 receptor. Het nut van demping van pijn door stress is, dat bij vechten of vluchten de pijn niet gevoeld wordt.

In de anamnese van acupunctuur wordt de pijn onderverdeeld, onder anderen, in pijn dat afneemt tijdens beweging en pijn dat afneemt tijdens rust. Dat dit tot een keuze van andere punten leidt in de acupunctuur behandeling, daarvan is nu een beeld bij te vormen met een rol in dit beeld voor koper-, zink- en magnesium ionen. Ervarings-deskundigen weten allang dat pijn je leefwijze beinvloedt, slapen, bewegingspatroon, stress, gezonde voeding, een regelmatig leven. Altijd belangrijk is een goede conditie door regelmatig (passende) lichaamsbeweging te doen, en met regelmaat ontspanning en slapen.


Samenvatting

in dit verhaal is geprobeerd om het werkingsmechanisme van acupunctuur en shiatsu, ofwel de Traditionele Chinese Geneeswijze (TCM) die hieraan ten grondslag ligt, uit te drukken in termen van koper-, zink-, en magnesiumionen. Uitgangspunt is, dat rond een geprikt acupunctuurpunt een toename van koper-, zink en ijzerionen is gemeten [1]. De stevigheid van de lokale bindweefselstruktuur wordt ook beinvloed door de activiteit van spieren in de buurt van het acupunctuurpunt. Een minder functionerend orgaan (b.v. door afname van mitochondriën) oefent ook invloed uit op de stevigheid van een acupunc-tuurpunt in de buurt van het orgaan. Dit is wat TCM veronderstelt. Anderszijds, de hersenen worden verondersteld de ''actieve meridiaan als geheel'' te interpreteren als een bepaald gedrag en fysiologie. Hierdoor kan prikken op een gestagneerd of leeg punt, effect hebben op de meridiaan (waar het punt op ligt) als geheel. ''Distaal prikken'' aan het andere uiteinde van de meridiaan dan waar op de meridiaan de aangedane locatie zit (b.v. een pijnlijk punt), maakt de meridiaan als geheel ''gevoed'', zodat deze set spieren behorende bij gedrag en bepaalde fysiologie, zich kunnen herstellen en ontspannen, zodat dit gedrag niet meer onderdrukt wordt, of te gespannen wordt uitgevoerd. Dit effect is tijdelijk, zolang het lichaam zich de kleine beschadiging in geprikte punten herinnert. Het kan aanzettten tot stimulering van het zelfgenezend vermogen en andere processen op gang brengen, indien het lichaam deze capaciteit bezit.

Uiteinden van meridianen op vingers, tenen, oksel, zij of bij zintuigen zijn vaak gevoelig voor aanraking. Vingers en tenen zijn bevattelijk voor afkoeling van de omgeving, en hebben in de hersenen een grotere representatie. De mate van stevigheid van lokaal bindweefsel zegt iets over de recente spieractiviteit van de afgelopen week, van spieren in de omgeving van het punt. Beide processen, zowel de mate van stevigheid van locaal bindweefsel, als recente spieractiviteit, worden verondersteld samen te gaan met het teloor gaan van enkele mitochondriën, waardoor de ionen uit deze mitochondriën in het cytosol of vrijkomen in de extracellulaire ruimte. Tijdens de slaap worden nieuwe mitochondriën gemaakt. Lichamelijke beweging en prikken laat enkele zwakkere versies van de vele mitochondriën in cellen sneuvelen. Deze mitochondriën worden tijdens de slaap vernieuwd. Bij voldoende lichaamsbeweging leidend tot een goede conditie zijn er uiteindelijk meer mitochondrien in de spieren van het lichaam [9]. De mitochondrien vormen een reservevoorraad van koper zink en magnesium, die tijdelijk vrijkomen bij toename van lichaamsbeweging en bij prikken.

De hersenen maken een associatie tussen bewegingen van verschillende spiergroepen die gelijktijdig plaatsvinden, en bepaald gedrag. Dit geheel vormt in de hersenen het concept ''meridiaan''.Ook draagt deze manier van proprioceptie bij aan de waarneming van pijn.

Uitgangspunt vormden de mitochondriën, die verantwoordelijk zijn voor de productie van warmte, en energie (ATP). Deze twee begrippen staan ook centraal in de TCG. De 'thermostaat'' van de lichaams-temperatuur bevindt zich in de hypothalamus in de hersenen, dat hormonen afgeeft via hypofyse in de hersenen aan het bloed. Deze hormonen beinvloeden het activiteitsnivo van diverse hormoonklieren. Fijnregeling vindt echter ook plaats in elke cel in het lichaam met mitochondriën. In de mitochondriën bepaalt de verhouding tussen koper, zink en magnesium de productiesnelheid en daarom de hoeveelheid warmte en energie, en of er meer warmte of juist meer energie gevormd wordt. Belangrijkste aanname in het verhaal is dat deze drie ionen de warmte en ATP productie kunnen bijregelen. Of er op een bepaald moment meer warmte nodig is, of juist meer energie, is afhankelijk van het fysiologische proces op dat moment, passend bij een bepaald gedrag. Deze behoeften varieren over een etmaal, en zodoende zijn er bepaalde gewoontes en ritmes, net als bij fysiologie gerelateerd gedrag. Wetenschappelijk onderzoek heeft in het bloed een circadiaans ritme (24 uurs-) in koper, zink en magnesiumionconcentraties gevonden. Een circadiaans ritme in koper-, zink- en magnesiumionen is gemeten in het bloed [50-52], met een maximum voor zink in de ochtend en een maximum voor koper en magnesium in de namiddag. 's Nachts neemt koper in het serum af, vermoedelijk door de mitogenese. Ook het messenger RNA voor metallothioneine (type MT-1) vertoont een circadiaans ritme met een maximum in de namiddag [69]. Behalve een circadiaans ritme is er ook een ritme in de menstruatiecyclus gemeten. Zink en oestradiol nemen in het plasma toe in de periode tussen menstruatie en ovulatie [61]. In de daarop volgende periode van ovulatie naar menstruatie neemt koper toe [61] en gaat het gele lichaam in de eileider progesteron en oestradiol produceren. In termen van werkingsmechanisme: in de eerste periode zit veel zink in de mitochondria, waardoor er de novo cholesterol synthese kan plaatsvinden. Uit dit cholesterol wordt oestradiol gemaakt. Oestradiol heeft een positieve invloed op de koperabsorptie via de darmwand [62]. In de tweede periode neemt koper toe in het serum. Uit oestradiol kan progesteron worden gemaakt. Acupunctuur kan een regulerend effect op menstruatie hebben.

Relatie tussen zinkionen en hormoonproductie

Net als oestradiol en progesteron wordt ook cortisol ook uit cholesterol gemaakt. Gemeten is dat depressie samengaat met een verlaagde zink/koper in het serum, vermoedelijk een verlaagde zinkion-concentratie in zowel mitochondrien als cytosol. Weinig zink in mitochondrien betekent dat de citroen-zuurcyclus minder gestimuleerd wordt om citroenzuur naar het cytosol te laten vertrekken voor cholesterol synthese in het cytosol. Vertaald in het TCM-werkingsmechanisme zou dit misschien betekenen dat er teweinig mitochondrien als geheel aanwezig zijn. De circadiaanse toe- en afname van koper, zink en magnesium in het cytosol is dat ook klein, en het circadiaans ritme kan dempen.Dit kan een beeld geven van langdurige stress, burnout en cortisol uitputting. Een beperking van de hoeveelheid dopamine en serotonine kan misschien ook mede veroorzaakt worden door een kleinere voorraad aan mitochondrien (in bepaalde delen van de hersenen).

Acupunctuur en in wezen TCG in het algemeen proberen de verhouding tussen koper-, zink- en magnesiumionen weer te optimaliseren. Hiermee kunnen hormonen en neurotransmitters gemaakt worden. Melatonine en prolactine worden optimaler aangemaakt, waardoor slapen in principe beter zal gaan. Gedurende de slaapperiode worden meer mitochondrien gemaakt. Na een acupunctuurbehandeling is er vaak meer behoefte aan rust, en er wordt geadviseerd, om hieraan toe te geven. Uitgaande van voldoende beweging overdag, zullen de minder goed functionerende mitochondrien afbreken, om 's nachts tijdens de slaapperiode weer te worden vervangen. Voldoende mitochondrien betekent vermoede-lijk voldoende MAO in de buitenste membraan van de mitochondrien, zodat adrenaline (maar ook de andere catecholamines, zoals dopamine en noradrenaline, en ook serotonine) weer afgebroken wordt, en men goed zich kan ontspannen.

Onderwarmer, middenwarmer en bovenwarmer

De drie ionen die de productiesnelheid van warmte (en energie) mitochondrien ieder op een andere manier beinvloeden kunnen beschouwd worden als het TCM begrip ''drie warmers''. De middenwarmer (spijsver-tering) reguleert de zinkionen. Zinkionen van de spijsverteringsenzymen gaan met het voedsel mee via de darmen naar het bloed. De bovenwarmer (de hersenen, waarbij men gewaarwordt dat hart meedoet) reguleren de koperion hoeveelheid in het bloed, via stress - aansturing van bijnieren - waardoor adrenaline de lever aanzet tot afgifte van koperionen aan het bloed. Met betrekking tot de onderwarmer: de nieren bezitten zeer veel magnesiumkanalen, en hebben daarom vermoedelijk een grote bijdrage aan de regulering van de totale hoeveelheid magnesium in het bot. Zo nodig, dan wordt bij een magnesium-tekort het bot aangesproken. Voldoende rust (slapen) is mogelijk als tegelijkertijd het parasympathische zenuwstelsel voldoende magnesiumionen bezit om acetylcholine af te remmen tijdens de slaapperiode. Het blijft moeilijk om in termen van oorzaak en gevolg te denken, zowel regulier (feedback) als in TCM (yin yang). Volgens TCM kan slaaptekort of langdurig te hard werken leiden tot een yintekort. Blijkbaar hebben de nieren nodig dat er voldoende rust (en slaap) is.

Bij natuurlijke variaties in hoeveelheid mitochondriën zoals bij seizoenen (zie polsdiagnose), is op het maximum van de hoeveelheid mitochondriën, enerzijds een maximum hoeveelheid ionen (koper, zink en magnesium) in de mitochondriën en anderzijds een minimum hoeveelheid mitochondriën in het cytosol. Dit zijn hypotheses in het werkingsmechanisme.

Bij pathologie of disbalans gebeurt juist het omgekeerde: bij pathologie gaan de ionvariaties in mitochondriën en cytosol juist gelijk op en zijn ze niet meer tegengesteld: bijvoorbeeld een minimum hoeveelheid koperionen in de mitochondriën gaat dan samen met een minimum hoeveelheid koperionen in het cytosol. Gesommeerd over deze disbalans werkt het effect van natuurlijke variaties, zoals bijvoorbeeld seizoenen, wat zichtbaar is in de polsdiagnose.

De polsdiagnose binnen TCM kan met dit TCM werkingsmechanisme uitgedrukt in koper-, ijzer-, zink- en magnesiumionen worden beschreven. Ook levert dit werkingsmechanisme een beeld op waarom bij de Shu Transporting Punten juist palperen van het vuurpunt diagnostisch is voor betreffende meridiaan waarop dit punt zich bevindt. Met daarbij het beeld voor de regel, dat bij een gevoelig vuurpunt het de bedoeling is om op dezelfde meridiaan het metaal - en waterpunt te prikken. Voor zover mij bekend, is hier nog geen andere reguliere beschrijving voor.


Gebruikte literatuur in het volledige artikel.   

[1] Yan X, Zhang X, Liu C, et al (2009). Do acupuncture points exist? Phys.Med.Biol.54(9), pp. 143-150. N143-50. doi:10.1088/0031-9155/54/9/N01. Epub 2009 Apr 8.

[2] Bo S, Milanesio N, Schiavone C, et al. (2011) Magnesium and trace element intake after a lifestyle invention. Nutrition 27, 108-11.

[3] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[4] Zhou HH, Lu F, Chen SD, Zhou ZH, Han YZ, Hu JY. (2011). Effect of electroacupuncture on serum copper, zinc, calcium and magnesium levels in the rats depression. J Tradit Chin Med. Jun; 31 (2), pp. 112-4.

[5] Michos C, Kalfakakou V, Karkabounas S, Kiortsis D, Evangelou A (2010). Changes in copper and zink plasma concentrations during the normal menstrual cycle in women. Gyneacol. Endocrinol. 26(4): pp 250-5.

[6] Dhillon KS, Singh J, Singh Lyall J (2011) A new horizon into the pathobiology, etiology and treatment of migraine. Medical hypotheses 77, 147-151.

[7] Ji LL, Kang C, Zhang Y (2016). Exercise-induced hormesis and skeletal muscle health. Free Radical Biology and medicine. http://dx.doi.org/10.2016/j.freeradbiomed.2016.02.025

[8] Merry TL and Ristow M. (2016). Nuclear factor erythroid-derived2-like 2 (NFE2L2) mediates exercise-induced mitochondrial biogenesis and the anti-oxidant response in mice. J Physiol. pp 1-13.

[9] Baynes JW and Dominiczak MH (2012). Medical biochemistry, third edition.ISBN 978-0-323-05371-6, H42.

[10] Torres-Vega A, PLiego-rivero BF, Otero-Ojeda GA et al. (2012). Limbic system pathologies associated with deficiencies and excesses of the trace elements iron, zinc, copper, and selenium. Nutrition Reviews, 70(12): 679-92.

[11] Teng L, Zhang J, Dai M, Wang F, Yang H. 2015. Correlation between traditional chinese medicine symptom patterns and serum concentration of zinc, iron, copper and magnesium in patients with hepatitis B and associated liver cirrhosis. Journal of TCM, 35(5): 546-550.

[12] Chen M, cheng N,Chen Y (1995). The effect of moxibustion on gastric mucosa in rats and its relation to copper, zinc contents in serum. Zhen Ci Yan Jiu, 20(2), 45-7.

[13] Tampa BI, Leon MM and Petreus T (2013). Common trace elements alleviate pain in an experimental mouse model. J of Neuroscience research 91, pp: 554-561.

[14] Grober U, Schmidt J, and Kisters K. (2015). Magnesium in prevention and therapy. Nutrients, 7, 8199-8226.

[15] Zhou Q., Wang D., Xu J, Chi B. (2016). Effect of Tauroursodeoxycholic acid and 4-phenylbutyricc acid in copper and zink in Type 1 diabetes Mice mode. Biol Trace Elem Res 170: 348-56.

[16] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[17] Wen T, Fan X, Li M et al. (2006). Changes of metallothionein 1 and 3 mRNA levels with age in brain of senescence-accelerated mice and the effects of acupuncture. Am J Chin Med 34(3):435-47.

[18] Lucero HA, Kagan, HM (2006). Lysyl oxidase: an oxidative enzyme and effector of cell function. Review. Cell life sci 63,2304-16.

[19] Smith-Mungo L, Kagan H. (1998). Lysyl oxidase priorities, regulation and multiple functions in biology. Matrix biology vol 16/1997/8, 387-98.

[20] Bouillon R, Carmeliet G, Lieben L et al. (2014). Vitamin D and energy homeostasis of mice and men. Nat Rev Endocrinol. 10, 79-87.

[21] Li Y, Par JS, Deng JH et al (2006). Cytochroom c oxidase subunit 4 is essential for assembly and respiration function of the enzyme complex. J Bioenerg Biomembr 38(5-6), 283-91.

[22] Grober U, Schmidt J, Kisters K (2015). Magnesium in prevention and therapy. Nutrients 7(9), 8199-8226.

[23] Mills DA, Schmidt B, Hiser C et al. (2002). Membrane potential-controlled inhibition of cytochrome c oxidase by zinc. Am.soc.for biochem and mol biol. feb. 1-30.

[24] Grattan DR, Kokay IC. (2008). Prolactin: a peleiotropic neuroendocriene hormone. J of Neuroendocrinology.20, 752-63.

[25] Humann-Ziehank E., Menzel A, Roehrig P. et al. (2014). Acute and subacute response of iron, zinc, copper and selenium in pigs experimentally infected with actinobacillus pleuropneumoniae. Metallomics, 6, 1896-79.

[26] Mastorakos G, Pavlatou M, Diamanti-Kandarakis E et al. (2005). Exercise and the stress system. Hormones 4(2): 73-89.

[27] Tang MW, Reedquist KA, Carcia S et al. (2016). The prolactin receptor is expressed in rheumatoid arthritis and psoriatic arthritis synovial tissue and contributes to macrophage activation. Rheumatooy 55: 2248-59.

[28] Du J, Zhu M Bao H et al. (2016). The role of nutrients in protecting mitochondrial function and neurotransmitter signaling: implications for the treatment of depression, PTSD and suicidal behaviors. Crit rev food sci nutr 56(15): 2560-2578.

[29] Fitzgerald P., Dinan TG. (2008). Prolactin and dopamine: what is the connection?, a review article. J of Psychopharmacology 22(2), 12-19.

[30] Wen T, Fan X, Li M et al. (2006). Changes of metallothionein 1 and 3 mRNA levels with age in brain of senescence-accelerated mice and the effects of acupuncture. Am J Chin Med 34(3):435-47.

[31] Magiorani D, Manzella N, et al. (2017). Monoamine oxidases, oxidative stress, and altered mitochondrial dynamics in cardiac ageing. Hindawi Oxidative Medicine and cellular longevity. Article ID 3017947.

[32] Kuner R, Flor H. (2017). Structural plasticity and reorganisation in chronic pain. Nature reviews, neuroscience. www.nature.com/nrn. volume 18

[33] Tan R., (2007) Acupuncture 1,2,3. ISBN 97.809.75.94.1232

[34] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[35]Mathie A., Sutton GL, Clarke CE, Veale EL (2006). Zinc and copper: pharmacological probes and endogenous modulators of neuronal excitability. Pharmacology and therapeutics, 111, 567-583.

[36] Ebihara F, di Marco GS, Juliano MA, Casarine DE (2003). Neurtral endopeptidase expression in mesangial cells. J. Renin Angioten. Aldosteron Syst. 4(4) 228-33.

[37] Huidobro-Toro JP, Lorca RA, Coddou C. (2008). Trace metals in the brain: allosteric modulators of ligand-gated receptor channels, the case of ATP-gated P2X receptors. Eur Biophys J 37, 301-14.

[38] Acuna-Castillo C, coddou c, Bull P. et al. (2007). J of Neurochemistry 101, 17-26.

[39] Coddou C, Acuna-Castillo C, Bull P. (2007). Dissecting the facilitator and inhibitor allosteric metal sites of the p2x4 receptor channel. The j of biological chemistry 282, 51, 36879-886.

[40] Tampa BI, Leon MM and Petreus T (2013). Common trace elements alleviate pain in an experimental mouse model. J of Neuroscience research 91, pp: 554-561.

[41] Siliburska J. Bogdanski P., Jakabowski H. (2014). The influence of selected anti hypertensive drugs on zinc, copper and iron status in spontaneously hypertensive rats. Eur. J. Pharmocol. http://dx.doiorg/10.1016/j.ejphar2014.06.uc.

[42] Humann-Ziehank E., Menzel A, Roehrig P.et al. (2014). Acute and subacute response of iron, zinc, copper and seleniumin pigs experimentally infected with actinobacillus pleuropneumoniae. Metallomics, 6, 1896-79.

[43] Danscher G, Jo SM, Varea et al. (2001). Inhibitory zinc-enriched terminals in mouse spinal cord. Neuroscience 105(4), 941-7.

[44] Da Silva MD, Bobinski F, Sato KL at al. (2015). IL-10 cytokine released from M2 macrophages is crucial for analgesic and anti-inflammatory affects of acupuncture in a model of inflammatory muscle pain. Mol Neurobiol 51: 19-31. (Acupunctuur laat op afstand bij plaats van ontsteking M1/M2 afnemen.

[45] Cortese-Krott MM, Kulakov L, Oplander C, et al (2014). Zinc regulates iNOS-derived nitric oxide formation in endothelial cells. Redox Biology 2, 945-54. Zinkionen remmen het sleutelenzym NOsynthese, in het proces dat NOradikalen produceert. M1 macrofagen produceren NO om af te schieten op lichaamsvreemde deeltjes, virussen en bacterien.

[46] Stefanelli C, Ferrari F, Rossoni C etal. (1993). Zinc can influence ornithine decarboxylase activity in rat thymuscells. Amino acids (41-2): 53-61. Zinkionen stimuleren de vorming van ornithine (groeihormoon) uitgescheiden door M2 macrofagen, dat weefsel repareert.

[47] Franques J, Gazzola S (2013). Metabolic and nutritional neuropathies, update in diabetes, vitami B12 and copper deficiency. rev. Neurol. (Paris). 169(12): 991-6

[48] Fujie T, Okino S, Yoshida E et al. (2017). copper diethyldithiocarbamate as an inhibitor of tissue plasminogen activator synthesis in cultured human coronary endothelian cells. J of Tox Sciences 42(5), 553-8. Tissue plasminogeen activator bevordert de bloedstolling, door fibrine uit fibrinogeen te maken. De koperverbinding stimuleert fibrinolyse: het bloedstolsel wordt afgebroken. Te hoge fibrinolyse zorgt voor bloedingsneigingen. te lage voor trombose (wikipedia fibrinolyse).

[49] Solmonson A and Mills EM (2016). Uncoupling proteins and the molecular mechanisms of thyroid thermogenesis. Endocrinology, 157(2), 455-62.

[50] McMaster D, McCrum E, Patterson CC. [1992] Serum copper and zinc in random samples of the population of Northern Ireland. Am J. Clin. Nutr 56, 440-6.

[51] Siliburska J. Bogdanski P., Jakabowski H. (2014). The influence of selected anti hypertensive drugs on zinc, copper and iron status in spontaneously hypertensive rats. Eur. J. Pharmocol. http://dx.doiorg/10.1016/j.ejphar2014.06.uc.

[52] Yokoyama K, Araki S, Sato H, and AONO H (2000). Circadian rhythms of seven heavy metals in plasma erythrocytes and urine in men: observation in metal workers, Industrial health, 38, 205-12.

[53] Paus R (2016). Exploring the ''brain-skin connection'': leads and lessons from the hair follicle. current research in translational medicine 64, 207-14.

[54] Maciocia G. (2003). De grondslagen van de Chinese Geneeskunde. SATAS NV Brussel, Belgie, ISBN 872930809.

[55] Andersen LF et al. (1987). Micturation pattern in hyperthyroidism and hypothyroidism. Urology 29(2): 223-7.

[56] Krezel A, Maret W. (2017). The functions of metamorphic metallothioneins in zink and copper metabolism. Int J of Molec Sciences. 18, 1237 doi: 10.3390ijms18061237.

[57]Fahien LA, Kmiotek GH, Wolegiorgis G et al (1985). Regulation of aminotransferase glutamate dehydrogenase interactions by carbamyl phosphate synthase, mg plus leucine versus citrate and malate. J. Of Biol Chem 260(10, 6069-79.

[58] Matsumoto Kiiko, Euler D. (2002). Kiiko Matsumoto’s clinical strategies. In the spirit of master Nagano, vol.1. ISBN 0-97196695-0-7

[59] Odashima M, Otaka M, Jin M. et al. (2002). Indction of 72-kDa heat shock protein in cultured rat gastric mucosal cells and rat gastric mucosa by zinc-L carnosine. Dig.Dis Sci 47(12), pp: 2799-804.

[60] Kirchoff P, Sacrates T, Sidani S et all. (2011). Zinc salts provide a novel prolonged and rapid inhibition of gastric acid secretion. Am. J. Gastro.enterol. 106(1): pp: 62-70.

[61] Michos C, Kalfakakou V, Karkabounas S, Kiortsis D, Evangelou A (2010). Changes in copper and zink plasma concentrations during the normal menstrual cycle in women. Gyneacol. Endocrinol. 26(4): pp 250-5.

[62]. Dhillon KS, Singh J, Singh Lyall J (2011) A new horizon into the pathobiology, etiology and treatment of migraine. Medical hypotheses 77, 147-151.

[63] Baltaci AK, Nogulkoc R, Belvuanli M (2013). Serum levels of calcium, selenium, magnesium, phsphorus, chromium, copper and iron, their relation to zinc in rats with induced hypothyroidism. Acta Clin Croat. 52(2) 151-6.

[64] Descalzi G, Ikegami D, Ushijima T et al. (2015). Epigenetic mechanisms of chronic pain. Trends neurosci. 38(4), 237-46.

[65] Samsel A, Seneff S (2013). Glyphosate, pathways to modern diseases II: celiac sprue and gluten intolerance. interdiscip toxicol 6(4): 159-84.

[66] Walsh S, King E. (2008). Pulse diagnosis, a clinical guide. Churchill livingstone, elsevier. IABN 13: 978-0-443-10248-6

[67] Deng T (1999). Practical diagnosis in Traditional Chinese Medicine. Elsevier Chrchill livingstone, ISBN 987-0-443-04582-0

[68] Martens, G. (2009). Ling shu. Spirituele ontsluiting. 978-90-8666-081-0, 344. Vertaling van: Huang Di Nei Jing. (a) en (b) zijn vertalingen van (Engelse vertaling van): (rond 200 B.C.) Inner canon of the Yellow Emperor: Suwen (Basic questions) and Ling Shu (Spiritual pivot).

[69] Zhang D, Jin T, Xu Y et al. (2012). Diurnal and sex-related difference of metallothionein expression in mice. J of Circ Rhythms 10:2.

[70] https://encyclopedie.medicinfo.nl/vitamine-a-tekort

[71] Odashima M, Otaka M, Jin M. et al. (2002). Indction of 72-kDa heat shock protein in cultured rat gastric mucosal cells and rat gastric mucosa by zinc-L carnosine. Dig.Dis Sci 47(12), pp: 2799-804.

[72] Kirchoff P, Sacrates T, Sidani S et all. (2011). Zinc salts provide a novel prolonged and rapid inhibition of gastric acid secretion. Am. J. Gastro.enterol. 106(1): pp: 62-70.

[73] Wolonicioj M, Milewska E, Roszkowska-Jakimiec W. (2016). Trace elements as an activator of antioxidant enzymes. Postep Hig Med Dosw. 31, 70(0): 1483-98.

[74]  Rojas-Vega L, Gama G (2016). Mini-review: regulation of the renal NaCl cotransporter by hormones. Am J Physiol Renal Physiol 310, F10-F14. 160.

[75] Deachapunya C, Poonyachoti S, Krishnamra N (2012). Site-specific regulation of ion transport by prolactin in rat colon epithelium. Am J Physiol Gastrointest Liver Physiol. 302, G1199-G1206.

[76] Meeker JD, Rossano MG, Protas B et al. (2009). Multiple metals predict prolactin and thyrotropin levels in men. Environ res 109(7): 869-73.

[77] Marchetti C. (2014) Interaction of metal ions with neurothransmitter receptors and potential role in neurodiseases. Biometals 27: 1097-1113.

[78] Lisman, J. Grace AA, Duzel E. (2011). A neoHebbian framework for episodic momory: role of dopamine-dependent late LTP. Trends Neurosci. 34(10) 536-47.

[79] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[80] Zhoa ZY, Touitou Y. (1993). Response of rat pineal melatonin to calcium, magnesium, and lithium is circadian stage dependent. J. Pineal Res. 14: 73-77.

[81] Pinter TB, Stillman MJ (2014). The zinc balance: competitive zinc metalation of carbonic anhydrase and metallothionein 1A. Biochme 53(39), 6276-85.

[82] Henritte JC, Verdeaux G et al. (1977). Relationship between blood zinc level and EEG change under the influence of hyperpnea in normal subjects. Encephale 3(2): 155-64.

[83] Zofkava I, Nemcikova P and Matucha P. (2013). Trace elements and bone health.

[84] Zang L, Li J, Hao L et al. (2013). Crosstalk between dopamine receptors and the Na+/K+ ATPase (review). Molec med Reports 8, 1291-99.

[85] Birinyi A, Parker K, Antal M et al. (2001). Zinc colocates with GABA and glycine in synapses in the lamprey spinal cord. J. Comp.Neural 433(2): 208-21.

[86] Nishisawa Y, Morii H. Durlach J. (2007) New perspectives in magnesium research. Nutrition and health. ISBN 9781846283888. Springer.

[87] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[88] Parmar P, Limson J, Nyokong T, Daya S (2002). Melatonin Protects against copper mediated free radical damage. Journal of Pineal Research 32 (4), pp. 237-42.

[89 Li ZR, Shen MH, Niu WM (2008). Involvement of melatonin in the adjusting effect of electroacupuncture in resisting oxygen stress in cerebral ischemia reperfusion injuri rats. Chinese magazine: Zhen Ci Yan Jiu. 33 (3): pp. 164-8.

[90] Naeem m, Parvez S (2014). Role of melatonin in traumatic brain injuri and spinal cord injury. Scientific world jounal epub dec 21.

[91] Bastos P, Gomes T, Ribeiro L. (2017). Catechol-O-Methyltransferase (COMT): an update on its role in cancer, neurological and cardiovascular diseases. In: Reviews of physiology, biochemistry and pharmacology, 173. springer. Editors: Nilius, Tombe, Gudermann, Jahn, Lill, Petersen ISBN 978-3-319-61366-6, 7-39.

[92] Kuznetsova SS, Azarkina NV, Vygodina TV et al. (2005). Zinc ions as cytochrome c oxidase inhibitors: two sites of action. Biochemistry (Moscow). 70(2) 128-136.

[93] Rahman K, Rahman F, Rahman T. (2009). Dopamine-beta hydroxylase, its cofactors and other biochemical parameters in the serum of neurological patients in Bangladesh. Int J of Biomed Sc. 5(4). 395-401.

[94] Rahman MT, Haque N, Hayaty N et al. (2017). Origin, function and fate of metallothionein in Human blood. In: Reviews of physiology, biochemistry and pharmacology, 173. springer. Editors: Nilius, Tombe, Gudermann, Jahn, Lill, Petersen ISBN 978-3-319-61366-6, 41-62.

[95] Dieen van JH, Flor H, Hodges PW (2017). Low-Back pain pateints learn to adapt motor behavior with adverse secondary consequences. Exerc. Sport sci rev. 45(4) : 223-9.

[96]  Frausto da Silva J, Williams R The biological chemistry of the elements. The inorganic chemistry of life, 2nd edition 2001 Oxford univ.press. New York. ISBN 0 19 850847.

[97] Rodrigues GS, Godinho RO, Kiyomoto BH et al. (2016). Integrated analysis of the involvement of NO synthesis in mitochondrial proliferation, mitochondrial deficiency and apoptosis in skeletal muscel fibres. Scientific reports [6:20780 DOI 10.1038/srep20780 . NO radicalen kunnen fibrosis (littekenvorming) afremmen. M1 macrofagen vuren NO, wat het litteken mogelijk kan verzachten.

[98] Read SA, Parnel O, Booth D, Douglas MW, George J, Ahlenstiel G. (2018). The antiviral role of zinc and metallothioneins in hepatitis C infection. . Viral Hepat. 25(5): 491-501.

[99] Sato M, Yamaki , Oguro T et al. (1996). Metallothionein synthesis induced by interferon alpha/beta in mice of various zinc status. Tohoku Exp Med, 178(3): 241-50.

[100] Prins JM, Fu L, Guo L Wang Y. (2014). Cd2+ induced alteration of the global proteome of huma skin fibroblast cells. J of proteome research. 13, 1677-87.

[101] Hanada K, Sawamura D, Nakano H and Hashimoto I (1995). Possible role of 1,25-dihydroxyvitamin D3-induced metallothionein in photoprotection against UVB injuri in mouse skin and cultured rat keratinocytes. J of dematological science 9, 203-8.

[102] Mittag J, Behrends T, Nordstroem K et al. (2012). Serum copper as a novel biomarker for resistance to thyroid hormone. Biochem. J. 443, 103-9.

[103] Weitzel JM, Iwen KA (2011). Coordination of mitochondrial biogenesis by thyroid hormone. Melecular and Cellular Endocrinology 342 1-7.

[104] Wilson DF, Vinogradov SA (2014). Mitochondrial cytochrome c oxidase: mechanisme of action and role in regulating oxidative phosphorylaton. J Appl Physiol. 117: 1431-9.

[105] Zhang L, Yu C, Vasquez FE et al (2010) Hyperglycemia alters the schwann cell mitochondrial proteome and decreases couples respiration in the absence of superoxide production. J proteome res. 9(1): 458-71.

[106]  Koning HM, Van Roon E, Zuurmond WWA (2002). Chronische pijn en de NMDA receptor. Ned. Tijdschrift voor neurologie. Neurofarmacologie, nr 6, 481-6.

[107] Toume E, Tsuda M, Khakh BS, K Inoue.(2016). Chapter 10 On the role of ATP-gated P2X receptors in acute, inflammatory and neuropathic pain.

[108] Trang T, Salter MW (2012). P2x4 purinoceptor signaling in chronic pain. Purinerge signaling, 8: 621-8.

[109] Burnstock G. (2009). Acupuncture: a novel hypothesis or the involvement of purinergic signalling. Medical Hypotheses 73: 470-472.

[110] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[111]  Huidobro-Toro JP, Lorca RA, Coddou C. (2008). Trace metals in the brain: allosteric modulators of ligand-gated receptor channels, the case of ATP-gated P2X receptors. Eur Biophys J 37, 301- 14.

[112] Shi H. Norman AW, Okamura WH et al. (2002). 1alfa,25-dihydroxyvitamin D3 inhibits uncoupling protein 2 expression in human adipocytes. 10.1096/fj.02-0255fje FASEB journal. December. Ook staat het in Bouillon R, Carmeliet G, Lieben L et al. (2014). Vitamin D and energy homeostasis of mice and men. Nat Rev Endocrinol. 10, 79-87.

[113] Lisman, J. Grace AA, Duzel E. (2011). A neoHebbian framework for episodic memory: role of dopamine-dependent late LTP. Trends Neurosci. 34(10) 536-47.

[114] Barrea L, Di Somma CD, Muscogiuri G et al. (2017). Nutrition, inflammation and liver-spleen axis. Critical Revieuws in food science and nutrition. http://www.tandfonline.com/loi/bfsn20.

[115] Sajik M, Mastrolla V, Lee CY et al (2013). Impulse conduction increases mitochondrial transport in adult mammalian peripheral nerves in vivo.  Plos Biology, 11, e1001754.

[116] Atri C, Guerfali FZ, Laouini D. (2018). Role of human macrophage polarization in inflammation during infectious diseases. International Journal of molecular sciences. 19, 1801; doi:10.3390/ijms19061801

[117] da Silva MD, Bobinski F, Sato KL et al. (2014). IL10 cytokine released from M2 macrophages is crucial for analgesic and anti-inflammatory effects of acupuncture in a model of inflammatory muscle pain. Mol Neurobiol. doi 10.1007/s12035-014-8790-x

[118] Schaefer E, Wu W, Mark C et al. (2017). Intermittent hypoxia is a proimflammatory stimulus resulting in IL-6 expression and M1 macrophage polarization. Hep comm. 1,(4), 326-37.

[119] Faulknor RA, Olekson MA Ekwueme EC et al (2017). Hypoxia impaires mesenchymal stromal cell-induced macrophage m1 to m2 transition. Tencnol. (Singap world sci) 5(2): 81-86. doi: 10.1142/s2339547817500042

[120] Chylikova J, Dvorackova J, auber Z et al. (2018). M1/M2 macrophage polarization in human obese adipose tissue. Biomed pap med fac univ pal. ol. czech rep. 162(2): 79-82.


Bijlage 1: Koper- en zinkionen evolutiair beschouwd [96]

Voor het onstaan gedurende de evolutie, van de diverse onderdelen in de cel speelt volgens Da Silva een specifieke verhouding tussen koper- en ijzerionen een rol. Koper- en zinkionen zijn gedurende een verschillende periode in de evolutie in het organisme terecht gekomen. Tijdens de evolutie kwam er steeds meer zuurstof in de atmosfeer. Eerst werd daardoor zinksulfiet geoxideerd tot vrij zinkionen en sulfaat. Miljoenen jaren later, bij meer zuurstof in de atmosfeer, werd kopersulfiet omgezet tot vrije koperionen en sulfaat. (Electronegativiteit van zinkionen 1.65 en van koperionen 1.90 op de schaal van Pauling). Zinkionen werden gebruikt in de periode dat multicellulaire organismen ontstonden met een spijsverteringskanaal (en immuunsys-teem om met het voedsel meegekomen toxische onderdelen te verwijderen). Koperionen kwamen in het organisme terecht in de periode dat de multicellulaire organismen zich begonnen te bewegen [96]. Het bewegen kost veel energie, en het koperafhankelijke complex 4 in de mitochondrien speelt een rol bij ATP vorming. IJzerionen waren in ruime mate in de omgeving aanwezig in die periode [96].

Tijdens de evolutie zijn volgens hypothesen van Da Silva [96] ijzerionen (in de beschreven periode in de volgende alinea) geen beperkende factor geweest, maar koperionen in een bepaald stadium wel. De hoeveelheid ijzerionen past zich aan de hoeveelheid koperionen in het bloed blijkbaar aan. Dit kan de reden zijn, dat koperionen bepalen, hoeveel ijzerionen de cel binnenkomen, zoals eerder beschreven is.


Bijlage 2: Macrofagen, verband tussen Milt en Lever en laaggradige ontstekingsziektes.

Macrofagen spelen een belangrijke rol zowel in het niet-specifieke immuunsysteem (zoals wondgenezing) als in het adaptieve immuunsysteem. Wondgenezing gaat gepaard met een toename van M1 macrofagen (pro-inflammatoir, aanval microorganismen en weefsel) gevolgd door een afname in M1 en toename van M2 macrofagen (anti-inflammatoir, weefselopbouw).

Acupunctuur heeft als basis, kleine beschadigingen in de huid te genereren door het prikken. Acupunctuur kan de omzetting van M1 naar M2 bevorderen [117]. Dit is van belang bij bijvoorbeeld het effect van hypoxia bij wondgenezing [119]. In de dermis (onder de epidermis) zijn bij wondgenezing mesenchymale stromal cellen betrokken bij de omzetting van M1 naar M2 macrofagen. Hypoxia onderdrukt dit omzettingsproces in de huid [119]. Acupunctuur kan bijdragen aan het genezingsproces bij bepaalde huidziektes.

Centrale rol van IL-10 in de werking van acupunctuur bij de omzetting van M1 naar M2. Wetenschappelijk onderzoek bij spierontsteking [117] demonstreert het effect van acupunctuur: een switch tussen veel M1 naar relatief veel M2, met afname pijn en zwelling. Bij proefdieren waarbij IL-10 niet tot expressie kan komen, treedt dit effect niet op [117]. M2 heeft IL-10 nodig om tot expressie te komen en geeft zelf weer IL-10 af om extra M2 te laten ontstaan. Interessant is dat lichamelijke oefeningen, excercise ook anti-inflammatoir is, en een verschuiving van M1 naar M2 geeft. Gemeten is dat ATP toeneemt bij acupunctuur, dat purinerge receptoren (P2X7) op macrofagen stimuleert [117].

Diverse chronische ziektes, zoals het metabool syndroom gaan gepaard met een toename van M1. Bij obesitas komen teveel vetzuren in het lichaam, in het vetweefsel. Deze vetzuren binden aan toll like receptors op macrofagen en vetcellen, waardoor er een ontstekingsreactie op gang komt: adipose cellen (en macrofagen) gaan stoffen afscheiden, cytokinen, die meer macrofagen aantrekken [120]. Cytokinen verspreiden zich via de bloedsomloop over het lichaam, zoals naar lever en milt, en dragen bij aan atherosclerose. Verondersteld wordt dat het aantrekken van macrofagen naar het vetweefsel nut heeft, omdat macrofagen dit vet kunnen fagocyteren [120]. Mogelijk komen bij ziekteprocessen, vetzuren vrij door afbraak van cellen, dat door het immuunsysteem onschadelijk gemaakt dient te worden in het apoptose proces. Mogelijk is in de M1 macrofagen fase meer energie nodig voor de macrofagen dan voor het weefsel, en staat het totale energieverbruik op een lager pitje, nuttig in geval van ziekte. Echter, bij langdurige laaggradige ontsteding, zoals bij obesitas vergroot dit blijkbaar de eetlust (leptines spelen hierbij een rol [120]). Interessant in dit geval is dat in veel dieten de voorkeur ligt bij groente. Excessieve calorische inname resulterend in obesitas, is geassocieerd met gereduceerd IL-10-productie door de milt. Polyfenolen komen veel voor in groente, fruit, granen, olijfolie en rode wijn, en stimuleert de vrijmaking van IL-10 uit mononucleaire cellen uit perifeer bloed [114].

Lever (I) en milt (II) spelen een belangrijke rol in het immuunsysteem. I. De lever (gelocaliseerd in bovenbuik, relatief rechts-midden) speelt een belangrijke rol in het immuunsysteem, wat nodig is, omdat het voedsel (inclusief pathogenen, microbiologische componenten) vanuit de darmen via de poortader eerst bij de lever terecht komt [114]. De lever bezit 80-90% van de totale populatie in het lichaam van ‘’fixed-tissue’’ macrofagen [114]. De lever bezit zowel M1 al M2 macrofagen. Beide types macrofagen M1 en M2 zijn reversibel, en veranderen onder invloed van bepaalde cytokinen in de andere M type [116]. M2 produceert cytokine IL-10 en IL-6. IL-10 stimuleert M2. M1 wordt geactiveerd bij een wond, infectie of schimmel, bacterie of virus. M1 produceert o.a. IL-6 [116]. De lever is  bijvoorbeeld erg gevoelig voor hypoxia, en produeert bij intermittent hypoxia (OSAS) meer IL-6.

II. De milt (gelokaliseerd in bovenbuik, relatief links) is het grootste perifere lymfoide orgaan, en is anatomisch nauw gerelateerd aan de lever. De milt beinvloedt het specifieke en het niet-specifiek immuunsysteem. Doordat de milt circulerende apoptotische cellen opruimt, is een fine tuning van het immuunsysteem mogelijk. De milt bevat veel T-cellen en B-cellen, voor de productie van nieuwe immuuncellen en antilichamen, en is een reservoir voor circulerende monocyten, die snel naar verschillende ontstekingsplaatsen kunnen gaan, in geval van ontsteking. De milt maakt zowel pro-ontstekings-cytokinen (TNFalfa, IL-6) als anti-ontstekings cytokinen (IL-10). De pro-ontstekings cytokinen gaan vanuit milt direct naar lever (via splenic en portal venen). De secretie van anti-ontsteking IL-10 vindt voornamelijk via de milt plaats. De secretie van ontstekings cytokines wordt gehandhaafd door ander organen, zoals vetweefsel en lever.[114, gemeten bij muizen op een dieet, dat veel vet bevat].

Ondervoeding. Behalve excessieve calorische opname (overeten), kan ook ondervoeding (waardoor een tekort aan micronutrienten), ontstekings-cytokinen stimuleren. [114]. Een voorbeeld van een micronutrient tekort is vitamine D. Vitamine D deficientie kan resulteren in chronische ontstekings ziektes. Vitamine D nivo is bij M1 lager dan bij M2 [116]. In de fase met veel M1 macrofagen is mogelijk ATP productie van weefselcellen verlaagd, waardoor in de cel vitamine D de mitochondrien assisteert bij de ATP productie (hypothese). Vitamine D tekort is geassocieerd met een aantal leverziektes. De lever is een chemische fabriek en bezit veel mitochondrien. Bij teweinig gezonde levercellen, kan vitamine D mogelijk assisteren bij de ATP vorming binnen de mitochondrien. Er blijft minder vitamine D over in de bloedcirculatie.

Tenslotte speelt epigenetica een rol bij het ontstaan van laaggradige ontstekingen [114]. Bijvoorbeeld TNF alfa, een cytokine, betrokken bij het in gang zetten van ontsteking, wordt mede epigenetisch gereguleerd. Langdurige ondervoeding of langdurig inname van teveel calorieen kan epigenetische verandering geven in lever, vetweefsel, spieren en pancreas, om de ATP en warmte regulatie te ‘’redden’’ [114]. Epigenetica is reversibel, en kan onder goede omstandigheden deze situatie weer verbeteren, mits voldoende vitamine B6, B12, B11, choline, methionine en serine aanwezig is, welke nodig zijn bij methylering van DNA (onderdeel van epigenetica). Dit geeft het belang aan van voldoende vitamine B en het risico op tekort hieraan bij ondervoeding. TCM mechanisme: voor opname van vitamine B uit voeding zijn voldoende magnesiumionen (Yin) nodig.

Bijlage 2 en TCM

TCM: lever speelt een belangrijke rol bij stagnatie. Stagnatie kan bijvoorbeeld optreden bij hypoxia, zoals OSAS (slaap apneu). Dit is een factor tot ontsteking van de lever (NASH: non alcoholic steatohepatitis) [118]. De lever is erg gevoelig voor hypoxia. Als  gevolg van intermittent hypoxia komt IL-6 tot expressie in hepatocyten en in macrofagen, en komt er vanuit de lever meer IL-6 in de circulatie [118]. M1 produceert o.a. IL-6 [116]. Bij hypoxia treedt (gemeten in de celcultuur van levercellen) polarisatie tot M1 macrofagen op [118].

Milt hoort bij fase aarde, waar voeding bij centraal staat. Voeding betekent ook herstel: M2 macrofagen zijn betrokken bij dit proces. Lever hoort bij fase hout: plannen, ondernemen, jagen. Hierbij kan een situatie ontstaan dat er meer energie nodig is, dan aangeleverd wordt, en kan stagnatie ontstaan. Bijvoorbeeld hypoxia, waar de lever heel gevoelig voor is, kan laaggradige ontsteking (met veel M1) oproepen. Ook het verteerde voedsel mogelijk met verkeerde stoffen erbij, bedorven, of met resten van darmflora heeft een actief immuunsysteem nodig. M1 macrofagen zijn betrokken bij de aanval op deze microorganismen.

TCM: zinkionen en mitochondrien. Pathologie zoals het metabool syndroom, waar obesitas en cardiovasculaire ziektes een onderdeel van zijn, gaat samen met een disbalans in dit mitochondriele proces. Centraal in de beschrijving van het hypothetische werkingsmechanisme van TCM staan de mitochondrien, de bron van ATP en warmte in bijna elke cel. Teveel of teweinig productie geeft risico’s, op bijvoorbeeld het ontstaan van ROS. Omdat niet elk moment de juiste hoeveelheid voedingstoffen worden aangevoerd, dient de mitochondriele activiteit afgestemd te worden op de voedingstoevoer, passend naar de behoefte op dat (of komend) moment (gedrag, omgeving, bijpasssende fysiologie, circadiaans ritme).

Het TCM werkingsmechanisme beschrijft een verband tussen obesitas en zinktekort in het cytoplasma. Afremming van activiteit van mitochondria gebeurt door migratie van zinkionen uit het cytoplasma naar de mitochondria. (Dit was een hypothese in het TCM mechanisme). Binnen de mitochondrien helpt zink als cofactor binnen de citroenzuurcyclus de vorming van nieuwe aminozuren en precursor van vetzuur (citroenzuur). De citroenzuur vertrekt uit het mitochondrium naar het cytoplasma waar het tot vetzuur gevormd wordt.

Acupunctuur wordt verondersteld de balans van koper zink en magnesium te herstellen. Zowel M1 als M2 macrofagen gedijen bij een goede koper, en zink balans. Bij prikken komen beide soorten ionen vrij. De M1 fase wordt mogelijk efficienter, waardoor sneller M2 fase tot ontwikkeling komt. Acupunctuur stimuleert mogelijk de vorming van M2 macrofagen. Macrofagen type 2 (toename door IL-10, afgescheiden door milt) gebruiken zinkionen voor hun productie van het groeihormoon ornithine, dat zij afscheiden voor het herstelproces, zoals bij wondgenezing. Macrofagen type 1 worden in hun cytoplasma door zinkionen geremd in hun productie van NO radicalen (waarmee ze pathogenen aanvallen). Als er minder zinkionen naar de mitochondria hoeven te migreren, zijn de M2 macrofagen efficienter. Behalve dat staat centraal, uiteraard, dat er er minder input (voeding) en meer output (activiteit, exercises) te zijn.

TCM: links eerder bloedstagnatie, rechts eerder damp. Het gegeven dat de milt IL-10 afscheidt en de lever eerder IL-6 (weliswaar ontvangen van de milt) is misschien in verband te brengen met de volgende vreemde regel in de TCM (Su Wen, hoofdstuk .. en Kiiko [58]): in de rechterlichaamshelft is een gelijksoortige en gelijktijdige zwelling een fractie eerder gerelateerd is aan het TCM begrip ''Slijm, flegma of damp'' en in de rechterlichaamshelft een fractie eerder gerelateerd aan het TCM begrip ''stagnatie, of bloedleegte''.

Rechts eerder damp: M1 en M2 macrofagen (voor opruiming respectievelijk weefselopbouw) worden door verschillende interleukines gestimuleerd [116]. De lever, relatief rechts gelegen in het lichaam, bezit zeer veel macrofagen, zowel M1 als M2. De lever stimuleert (in reactie op disbalans, zoals eerder genoemde hypoxia, maar kan ook op ingredienten van het verteerde voedsel op de darmen zijn) indirect de vorming van M1 macrofagen, die lichaamsvreemde of beschadigde cellen aanvallen. Hierdoor ontstaat slijm, dat uit delen van beschadigde cellen en micro-organismen bestaat. De milt, relatief links gelegen scheidt IL-10 uit voor de stimulatie van vorming van M2 macrofagen. Afgifte door de milt van IL-10 aan het snel circulerende bloed zal geen onderscheidt tussen links en rechts maken, maar via interstitiele vloeistof tussen de lichaamscellen zal het transport wel langzamer verlopen. Macrofagen zitten overal, ook buiten de bloedcirculatie. Aangenomen dat in een wond eerst relatief veel M1- en daarna relatief veel M2 macrofagen actief zijn [116], zal in de linkerlichaamshelft mogelijk het herstelproces door M2 iets trager op gang komen, en kan daar meer flegma voorkomen in de ontsteking (mits verder gelijke omstandigheden, zoals begintijd, links en rechts).

Links eerder stagnatie: Stagnatie treedt op als er een grotere energiebehoefte is dan aanvoer. Er kan een blokkade zijn aan toevoer van voedingsstoffen, of aan afvoer van afvalstoffen. Anderszijds kan er een te trage energieproductie zijn, doordat er te weinig mitochondrien aanwezig of actief zijn. Macrofagen gebruiken uiteraard ook mitochondrien, die binnen de cel regelmatig vervangen worden. Koperionen maken de mitochondrien effectiever. In het TCM werkingsmechanisme wordt een linksrechts verschil beschreven als een (intracellulair vergeleken) gradient in koperionen, aflopend naar links. Koperionen zijn niet alleen van belang in mitochondrien, maar ook bij de vorming van bloedvaten. Iets minder snelle productie van ATP en iets minder snelle opbouw van bloedvaten kan links in het lichaam een proces iets eerder laten ''stagneren'' dan rechts. Dit alles geldt uiteraard onder voorbehoud, volgens de hypotheses van het hierboven beschreven TCM werkingsmechanisme.