Acupunctuurpraktijk Huan Mai

Een poging tot een westerse Medische beschrijving van het mechanisme van acupunctuur.

Invloed van koper-, zink- en magnesiumionen op mitochondrien en regulatie van ROS, afhankelijk van gedrag en circadiaans ritme.

- Voor intercollegiaal overleg en voor geinteresseerden -   


De inhoud van dit verhaal is geschreven aan de hand van persoonlijke inzichten. Gedeeltelijk is het weten-schappelijk onderbouwd, gedeeltelijk bestaat het uit hypotheses. Het is op geen enkel moment de bedoeling om hiermee medisch advies te verstrekken, of een medische diagnose te stellen. Ik wijs dan ook elke verantwoordelijkheid hieromtrent af. De manier waarop ik acupunctuur uitoefen in mijn praktijk, is gebaseerd op protocollen volgens de Traditionele Chinese Geneeswijze, zoals deze onderwezen wordt op de door mij in 2011 afgeronde acupunctuur opleiding en in 2008 afgeronde Shiatsu opleiding.

Er wordt een poging ondernomen om het mechanisme van acupunctuur volgens de Traditioneel Chinese Geneeskunde (TCG) uit te drukken in koper-, zink-, en magnesiumion afhankelijke mechanismen. Gesteld wordt, dat de wetmatigheden in de Traditionele Chinese Geneeskunde waar zijn. Wanneer deze TCG wetmatigheden worden uitgedrukt in de Reguliere Biochemie en Fysiologie, welke nieuwe uitspraken levert dit op voor de Reguliere Biochemie en Fysiologie? Voor acceptatie van TCG door de Reguliere Genees-kunde kan het bijdragen, als deze nieuwe uitspraken bevestigd worden door toekomstig onderzoek. Enige kennis van biochemie en fysiologie en van de traditionele Chinese geneeskunde kan nodig zijn om het verhaal beter te kunnen volgen.

Uitgangspunt is het wetenschappelijke resultaat dat rond een geprikt acupunctuurpunt een toename van koper-, zink en ijzerionen ontstaat [1]. Deze ionen zink-, koper- en ijzerionen, spelen een belangrijke rol spelen als cofactor bij enzymen, en versnellen chemische reacties of maken deze mogelijk. Elk ion speelt bij andere enzymen - en daarom bij andere biochemische reacties - een rol.

Bij insertie van een naald tijdens een acupunctuurbehandeling wordt de huid en onderliggen weefsel een klein beetje beschadigd en speelt daarom het immuunsysteem een rol. Het gaat hier met name over macrofagen die een belangijke rol spelen bij het aangeboren immuunsysteem als bij het adaptieve immuunsysteem [44-46]. Twee typen macrofagen spelen hier een rol. In een eerste fase produceren de type M1 macrofagen bepaalde moleculen, NO en radicalen zoals waterstofperoxide en superoxide, waarmee ze bacterien, virussen en andere lichaamsvreemde deeltjes aanvallen. Bij de vorming van NO-radicalen staat het sleutelenzym NOsynthase centraal, een enzym dat afgeremd wordt door zinkionen. In een later stadium produceren de type M2 macrofagen het groeihormoon ornithine, dat gebruikt wordt bij het herstel van het beschadigde weefsel. Bij de vorming van ornithine speelt het sleutelenzym ornithine decarboxylase een rol, een enzym dat wordt gestimuleerd door zinkionen. In een vroeg stadium overheersen de M1 macrofagen, later nemen de M2 macrofagen het over. Zowel M1 als M2 ontwikkelen zich uit dezelfde macrofaag. M2 produceert het efficientst ornithine, bij voldoende zinkionen in zijn cytoplasma, M1 wordt door deze zinkionen wat minder efficient in de productie van NO.

Omdat rond een geprikt acupunctuurpunt ook zinkionen ontstaan [1], kan acupunctuur bijdragen aan de optimale werking van M2 macrofagen. M1 en M2 komen vaak tegelijk voor. Wetenschappelijk onderzoek heeft een toename van M2/M1 gevonden, na acupunctuur [44]. Bijlage 8 beschrijft de samenwerking van milt en lever in het immuunsysteem. Interessant is dat er een circadiaans ritme is in meridiaan activiteit, daarom in orgaanactiviteit, waarbij beschikbaarheid van zink-, koper- en magnesiumionen moduleert gedurende 24 uur, dit geldt waarschijnlijk ook voor het immuunsysteem. Prikken laat ROS (reactive oxygen species) in de mitochondrien ontstaan. Bijlage 10 beschrijft de bijdrage van deze ROS in het werkings-mechanisme van het prikken.

De pdf versie van dit verhaal staat onder de link:

Westers Medische beschrijving van het werkingsmechanisme.


Regulier gemeten deficienties in koper- zink- en magnesiumionen passen (in milde vorm) bij een aantal vragen die in de TCG anamnese gesteld worden, leidend tot TCG diagnostiek

Zink deficientie kan onder anderen leiden tot anorexia, diarree, verandering in het immuunsysteem, huidafwijking zoals acne, geirriteerdheid, en depressie. Malaise en apathie [145]. Deze opsomming doet denken aan TCG kenmerken van maag- en milt meridiaan. Het maagslijm beschermt de maagwand tegen maagzuur. Zinkionen spelen een rol bij de synthese van maagslijm. Bij voldoende maagzuur is er een betere opname van zink-, magnesiumionen en vitamine B12 (vorming van intrinsieke factor) [71,72]. Zinkdeficientie kan resulteren in afname eetlust, toename van neiging tot bloedingen, perifere neuropathie en abnormale waterbalans. Dit heeft te maken met de eigenschap dat zinkionen bepaalde calciumkanalen afremmen, zie Bijlage 4.

Een koper deficientie kan samen gaan met anemie, leukopenia (tekort aan witte bloedcellen), neuropathie en optische neuropathie. Koper speelt een rol bij de synthese en afbraak (en dus timing) van dopamine en (nor)adrenaline. Dopamine speelt een rol bij beloning van doelgericht gedrag, bij pijnvermindering en bij onrust. Voor de synthese van dopamine speelt tyrosinehydroxylase een rol en voor de afbraak van dopamine is dit monoamineoxidase. Voor de omzetting van dopamine naar noradrenaline is het koperafhankelijke enzym dopamine beta hydroxylase nodig [93]. De lever is verantwoordelijk voor de handhaving van de koperhomeostase [102]. Schildklierhormonen (T3, T4) verhogen de productie van ceruloplasmine en andere koper chaperones (ATPase7A en ATPase7B) in de lever [102]. Een van de functies van de lever is ontgifting, want onder meer plaatsvindt via de het koperafhankelijke (en zinkafhankelijke) enzym superoxide dismutase [73]. Koperionen zijn ook betrokken bij de opname van ijzerionen in elke cel [41]. Dit lijkt op TCG kenmerken van lever en galblaas meridiaan en op het TCG begrip bloedleegte.

Tenslotte kan een magnesium deficientie gepaard gaan met vermoeidheid, constipatie, diarree, kramp, oedeem, misselijkheid, brok in keel, irritatie, overgevoeligheid en angst [2]. Ook kunnen palpitaties optreden, braken, slecht geheugen, slapeloosheid, hoge bloeddruk en migraine. Dit zijn kenmerken die passen bij het TCG begrip yinleegte of Qi stagnatie en stijgend yang. Een positieve invloed op magnesium hebben: lichamelijke oefeningen, afgewisseld met voldoende rust en slaap [3]. Dit is een beschrijving die ook bij het TCG begrip ''Yin'' past.


Voorbeelden van wetenschappelijk onderzoek van het effect van een acupunctuurbehandeling op koper- en zinkionen:

(1) Acupunctuur kan een verzachtende werking hebben bij depressie. In de hersenen is bij depressie een toename van de ratio van concentratie koper/zink gemeten. Acupunctuur verlaagde deze ratio. Ook een antidepressivum verlaagde deze ratio [4].

(2) Acupunctuur verbetert de menstruatiecyclus (qua regelmatigheid en bloedverlies). In de baarmoeder is er een verlaagde cu/zn gemeten in de periode tussen menstruatie en ovulatie (de periode van oestroge-nen) en een verhoogde cu/zn in de periode tussen ovulatie en menstruatie (minder oestrogenen, meer progesteron) [5]. Oestrogenen hebben een positieve invloed op de koperabsorptie via de darmwand [6].


Reguliere fysiologie van zinkionen:

(1) Zinkionen zijn betrokken bij insuline synthese in de pancreas. Insuline wordt door de pancreas afgegeven aan het bloed om via receptoren in alle lichaamscellen de opname van glucose in betreffende cel te bewerkstellingen. In deze receptor speelt zink ook een belangrijke rol. Bij diabetes mellitus type 2 (DM2) treedt insuline ongevoeligheid op: de receptor voor insuline werkt minder goed. Voldoende lichaamsbeweging kan het ontstaan van diabetes mellitus 2 (DM2) vertragen [7][8]. Bij voldoende lichaamsbeweging zijn er meer mitochondriën in de spieren van het lichaam [9]. Er bevinden zich dan ook veel koper-, zink- en magnesium ionen in de mitochondriën. De mitochondriën vormen een reservevoorraad van koper zink en magnesium, die tijdelijk vrijkomen bij toename van lichaamsbeweging en bij prikken.

(2) Het limbische systeem in de hersenen, dat controle uitvoert over emoties, cognitie en motor functie, en gerelateerd is aan depressie, angst, aandacht en geheugenprocessen, heeft een relatief hoge concentratie ijzer, zink, koper en selenium [10].

(3) Veel zinkionen komen voor in de spieren, hersenen, in de darmen, en in ogen. Ook spieren bezitten veel mitochondriën. Zie ook bijlage 4.


Gedrag, sets van spierbewegingen en associatie met meridianen

Centraal in de beschrijving staat het schema van Wu Xing, dat in Figuur 1 is weergegeven. Elk van de vijf fasen beschrijft een tweetal meridianen, welke in lengte-richting over het lichaam lopen, over armen of benen. Een van de vijf fase beschrijft vier meridianen. Het vijf fasen model van Wu Xing beschrijft relaties tussen meridianen.

Verschillende scholen relateren meridianen en acupunctuur aan beweging. Bijvoorbeeld, een onderdeel van de pijnbehandeling volgens de methode van Tan, is beweging van het pijnlijke lichaamsdeel, direct na het prikken van een acupunctuurpunt. Als bij deze methode binnen een minuut de pijn afneemt, mag de naald in de behandeling blijven zitten, 40 min. Als de pijn niet afneemt, wordt de naald verwijderd en een nieuwe lokatie uitgeprobeerd.

De vijf fasen water, hout, vuur, aarde en metaal worden in verband gebracht met vijf verschillende gedragingen: water met slapen, hout met jagen, vuur met relatie tot groep, aarde met voeding dat klaar voor je staat om gegeten te worden, en metaal met sorteren: wat kan opgeruimd worden en wat mag blijven. Fase water is geassocieerd met de blaasmeridiaan: liggen slapen versus opstaan. Hierbij ontspannen en activeren de spieren rondom de blaasmeridiaan. Fase hout is geassocieerd met de spieren rondom de galblaasmeridianen gelegen aan de zijkant van het lichaam: in dit gedrag wordt gekozen of het lichaam zich naar links of naar rechts verplaats, met als doel om een doel te vangen, te jagen op een doel. Fase aarde is geassocieerd met de spieren rondom de maagmeridiaan: in dit gedrag wordt er bewogen naar het eten dat zich voor je bevindt. Fase metaal is geassocieerd met de spieren rondom de dikkedarm meridiaan die op de armen gelocaliseerd is. Tijdens het sorteren van objecten voor je, worden de armen een klein beetje opgetilt voor het verplaatsen van de objecten, een stapel met wat weg kan en een stapel met wat wordt bewaard. Op het moment dat de armen zich bij deze handeling in de lucht bevinden, worden de spieren rondom de dikkedarm meridiaan geactiveerd. Fase vuur is geassocieerd met spieren rondom dunnedarm meridiaan en driewarmermeridiaan. Armen omhoog oprichtend is de houding van een kind dat contact zoekt met zijn verzorger. Dit gaat over de keuze voor het delen van een emotie. Volgens de TCM is de functie van de dunne darm ''het goed waarnemen van een relevante emotie, geselecteerd tussen alle waarnemingen''. Bij de beweging van beide armen opzij worden de spieren rondom de driewarmer geactiveerd: dit gaat over de keus of de armen hierbij naar links of naar rechts bewegen beschrijft het volgende gedrag: wil je iemand of een object ontmoeten of juist op afstand houden. Bovendien wordt er afgestemd, of de behoefte van de omgeving bij jouw behoefte past. Deze indeling is  vereenvoudigd beschreven: in feite gaat het per element of fase om koppels van twee meridianen, een yinmeridiaan en een yangmeridiaan. Elk van de zes yangmeridianen is gekoppeld met een andere yinmeridiaan.

             Diverse competities tussen zink- en koperionen, en tussen zink- en magnesium ionen zijn in het artikel in verband gebracht met verschillende TCG begrippen, zoals bepaalde faseovergangen in het Wu Xing model (controle stappen) en de drie warmers.

Figuur 1: Tussen de fasen vinden diverse competities plaats (rode pijlen), namelijk tussen zink- en koperionen*, en tussen zink- en magnesium ionen (controle stappen). Tijdens fase water en metaal neemt de hoeveelheid mitochondriën toe. Tijdens fase hout en vuur neemt de hoeveelheid mitochondriën af. Prolactine stimuleert mitogenese (vorming van nieuwe mitochondriën) [24]. Prolactinesynthese heeft magnesium nodig als cofactor [25]. Tijdens het begin van de slaap is er een toename van prolactine [26]. Prolactine en dopamine zijn antagonisten [27]. Dopamine gaat samen met afname van mitochondriën [28]. Dopamine remt serotonine [29]. Serotonine productie is afhankelijk van zinkionen. Zinkionen in de mitochondriën bevorderen de citroenzuurcyclus, zodat citroenzuur naar het cytosol gaat en gebruikt wordt voor de synthese van cholesterol. Steroidhormonen zoals cortisol, oestrogenen, progesteron (van oestrogenen gesynthetiseerd) en testosteron hebben cholesterol als bouwsteen.

Doel van hormonen is een bepaald gedrag op te wekken, samengaand met een bepaalde lichaamsbeweging. Wanneer de spieren vermoeid raken, is het zinvol om een ander gedrag te generen (inclusief aanmaak van andere hormonen) .

*) Op bepaalde bindingsplaatsen van het celmembraan vind er competitie plaats tussen zinkionen en ijzerionen, en tussen zinkionen en koperionen [147].


Het werkingsmechanisme: rol van mitochondriën.

Normaal gesproken wordt de stevigheid van de lokale bindweefselstruktuur beinvloed door de activiteit van spieren in de buurt van het acupunctuurpunt (Zie verderop in de tekst: het koperion-afhankelijke lysyloxidase speelt hierbij een rol). Hersenen ontvangen via zintuigen (proprioceptie) informatie over stand en beweging van lichaam en ledematen. Hersenen herleiden uit de activiteit van groepen spieren, een bepaald gedrag, dat heeft plaatsgevonden. Als reactie hierop, sturen de hersenen het lichaam bij, door middel van hormonen en neurotransmitters, waardoor nieuwe spieren geactiveerd of geinactiveerd worden, of andere spieractiviteiten ontstaan. Een meridiaan wordt beschouwd als een set van spiergroepen die relatief meer actief zijn bij het gedrag dat geassocieerd wordt met deze meridiaan.

Prikken van een acupunctuurpunt geeft verbetering aan de kwaliteit, de elasticiteit, en de mate van stevigheid van de lokale bindweefsel structuur rond een acupunctuurpunt. Als bevestiging voor een geschikte puntformule voor een patient, wordt vaak het betreffende punt bij de patient eerst gepalpeerd, om de mate van stevigheid en gevoeligheid te bepalen. Gevoeligheid kan een indicatie zijn voor geschiktheid van het punt om te prikken.

Rond een geprikt acupunctuurpunt is een toename van koper-, zink en ijzerionen gemeten [1]. Dit kan leiden tot verbetering van stevigheid en elasticiteit van het lokale bindweefsel rond het acupunctuurpunt. Bij dit proces spelen mitochondriën een rol. Mitochondriën in de cel kunnen zowel energie (in de vorm van het te gebruiken energierijke molecuul ATP) als warmte produceren. Dit geldt bijvoorbeeld voor bindweefselcellen, spiercellen, zenuwcellen, levercellen, niercellen, en cellen in de pancreas. Hoeveel warmte er nodig is, wordt mede bepaald door de locatie van de cel en mitochondriën in het lichaam. Op een voet is meer behoefte aan lokale warmteproductie dan in de huid op de romp. De benodigde energie (in de vorm van ATP moleculen) ter plekke van de cel, is afhankelijk van lokale spieractiviteit, en daarom ook van het type gedrag.

Voor de productie van energie en warmte hebben de mitochondriën de ionen koper, zink, ijzer en magnesium nodig. (Van de oxidatieve fosforylering heeft complex 4 koperionen als cofactor, en complex 5 magnesiumionen als cofactor). Koper ionen en magnesiumionen zijn als cofactor ingebouwd in de enzymen van de mitochondriën: voor hun effect op de mitochondriële productie van warmte en energie ATP, zoals later in de tekst zal blijken, is vorming van nieuwe mitochondriën nodig. Zinkionen zijn geen cofactor , maar binden zich aan de buitenkant van complex III in de mitochondriën [92]. Hiermee beinvloeden de zinkionen de reactiesnelheid via een conformatieverandering (die de ATP vorming vertraagt) en treedt deze verandering (vertraging) van mitochondriën op zinkionen sneller op.

Figuur 2: Oxidatieve fosforylering in de binnenste membraan van het mitochondrium. Eerst wordt energie van protonengradient opgebouwd, met behulp van complex I, II, III en IV. Zink remt complex III, Koper stimuleert complex IV. Hierna is er de keus uit twee opties: twee reacties zijn mogelijk, waarbij de enerige van de protonengradient wordt verbruikt: (1) de vorming van ATP met het magnesiumion-afhankelijke complex V. (2) de vorming van warmte met behulpt van het ''ontkoppelingseiwit''.


Cytosol

In het werkingsmechanisme voor TCG wordt onderscheid gemaakt tussen de ruimte in de mitochondriën in de cel en in het cytosol (met de andere compartimenten, zoals celkern en golgiapparaat) in de cel. Wanneer mitochondriën meer behoefte hebben aan bijvoorbeeld zinkionen, zullen er meer zinkionen van cytosol naar de mitochondriën verplaatsen, en zal in het cytosol minder zinkionen overblijven. Hetzelfde geldt ook voor koperionen en voor magnesiumionen. Bij een grotere vraag naar ATP zullen de mitochondriën meer behoefte hebben aan magnesiumionen. Is er zowel een grotere vraag naar ATP als vraag naar verwarming, dan zullen de mitochondriën meer behoefte hebben aan koperionen. (zie Figuur 2). Wanneer de cel goed voorzien is van warmte en energie, kunnen de ionen zich verplaatsen naar het cytosol, om daar andere processen, zoals synthese van proteinen te verrichten. (Bijlage 2 en bijlage 6 beschrijven dit proces in meer biochemische details, in termen van ''voorkoming van vorming van vrije radikalen ROS'' in het mitochondrium, in termen als fission, fusion.)

Diverse hormonen worden in (de organellen in) het cytosol gemaakt. Ook worden in de organellen in het cytosol proteinen gemaakt. Een van de proteinen die in elke cel gemaakt wordt is metallothioneine (in bijvoorbeeld lever, nier en milt [94], darmen en pancreas [145]). Metallothioneine is een transporteiwit voor koper- en zinkionen in het cytosol, en transporteert deze naar de verschillende organellen, zoals het Golgiapparaat (om daar een koperion in een eiwit te bouwen). In het golgi-apparaat wordt een eiwit opgevouwen tot zijn uiteindelijke vorm en wordt een cofactor, het koperion ingebouwd (bij koperafhankelijke enzymen). Een bijzonder type organel vormen de mitochondriën, die een wisselende behoefte hebben aan koper- en zinkionen, wiens activiteit aangepast wordt aan de fysiologische behoefte passend bij het gedrag van dat moment.

Een ander proteine dat in het cytosol van de bindweefselcel (fibroblast) wordt gemaakt is lysylsoxidase. Lysyloxidase bepaalt de elasticiteit en stevigheid van het bindweefsel in de buurt van het acupunctuurpunt [100]. lysyloxidase heeft een koperion als cofactor. Dit koperion wordt ingebouwd in lysyloxidase in het Golgiapparaat. Beweging van de spieren stimuleert de productie van lysyloxidase. Door de schuifspanning van de spieren onderling en spieren ten opzichte van botten, gaat de bindweefselcel meer lysyloxidase produceren [19]. Vervolgens wordt lysyloxidase uitgescheiden in de extracellulaire ruimte, in niet-actieve vorm. In actieve vorm maakt lysyloxidase in het bindweefsel crosslinks tussen collageen en elastine. Schuifspanning komt veel voor in de buurt van uitsteeksels van bot, waar diverse spieren aan gehecht zijn. Acupunctuurpunten kunnen bijvoorbeeld gelocaliseerd zijn op zo'n punt van schuifspanning. De door het prikken vrijgekomen koperionen kunnen in de bindweefselcel de productie van lysyloxidase efficienter versnellen.

De snelheid van productie van lysyloxidase is afhankelijk van de concentratie zinkionen, koperionen en magnesiumionen in het cytosol. Deze hypothese is als volgt in te zien. Na prikken in een acupunctuurpunt is een toename in metallothioneine gemeten [17]. Zinkionen stimuleren de synthese van metallothioneine (via zink sensor MTF-1( =metal response element binding transcriptionf factor 1, een zinkbindend molecuul in het cytoplasma) Dit coordineert de expressie van MT en van zinktransporter 1 (ZnT1).[130]). Metallothioneine vervoert koperionen in het cytosol naar het golgi apparaat, om het daar te laten binden aan lysyloxidase. Hoe meer koperionen in het cytosol, hoe meer ze gebonden zijn aan metallothioneine, en hoe sneller de lysyloxidase productie. Zinkionen spelen als volgt een rol in dit proces: op de bindingsplaats op metallothioneine voeren koper en zink competitie uit, waarbij koper iets sterker bindt [56]. De competitie tussen zink- en magnesiumionen, zorgt ervoor dat magnesium de synthese van metallothioneine remmen [144]. In onderstaande twee tabellen is het effect van ionen in het cytosol op de vorming van lysyloxidase samengevat.

Ling Shu hoofdstuk 35, beschrijft een acupunctuurpunt als ''Find the hole between the flesh''. ''If you miss the hole, needling the acupuncture point does not result in an arrival of Qi''. Volgens de beschrijving van het voorgestelde TCM werkingmechanisme kan dit letterlijk opgevat worden als de structuur (vastheid, elasticiteit) van het bindweefsel.


Tabel 1: (a) effect van ionen op de productie van lysyloxidase in bindweefselcellen. (b) afbeelding van een bindweefselcel waarin lysyloxidase gemaakt wordt. Weergegeven is dat er uitwisseling van ionen tussen mitochondrien en cytosol plaatsvindt. De hoeveelheid ionen Cu, Zn, en Mg bepalen de snelheid van vorming van lysyloxidase in het cytosol. (a) geeft een samenvatting in tabelvorm van het effect per ion op deze snelheid.

                                   


                                        


Verband tussen lokatie van meridianen op het lichaam en hoeveelheid ionen of mitochondriën in die lokatie (hypothetisch).

Figuur 3 laat zien dat de lokatie van een meridiaan (aan de zijkant, achterkant of voorkant van het lichaam) aangeeft, of er relatief behoefte is aan opwarming. Meer algemeen gezegd: aanpassing aan veranderingen in de omgevingstemperatuur. De galblaasmeridiaan aan de zijkant is het verst verwijderd van het middelpunt van het lichaam, en is relatief het snelst onderhevig aan afkoeling (waardoor behoefte aan warmteproduktie door de mitochondriën in de spieren langs dit traject, en mogelijk behoefte van deze mitochondriën aan koperionen). De niermeridiaan aan de voorkant is relatief het warmst en meest beschermd. Mitochondriën in spieren langs het traject van de niermeridiaan bezitten mogelijk relatief minder koperionen en meer magnesiumionen, omdat hier meer de nadruk op energieproductie en iets minder op warmte productie ligt (zie Figuur 2). Het gaat hier om het effect van omgevingstemperatuur op het lichaam. De ligging van de meridianen, bijvoorbeeld op de romp, beschrijft de warmtebehoefte: de zijkant (galblaasmeridiaan) koelt meer af en heeft de meeste mitochondriën nodig (koper). De vaak beschutte voorkant (niermeridiaan) koelt het minst af. Halverwege (maagmeridiaan) is een tussenpositie: de koperionen in de mitochondriën worden geremd door zinkionen. Ter hoogte van de blaasmeridiaan naast het ruggemerg (backshu punten) bevinden zich wat meer zinkionen [43,85]. Deze beschrijving van een verband tussen lokatie van meridiaan op het lichaam, behoefte aan opwarming bij afkoeling van omgevingstemperatuur, gebaseerd op de bekende rol van cofactoren: koper-, zink- en magnesiumionen binnen mitochondriën, is gebaseerd op redenatie en uiteraard hypothetisch. Zie voor meer biochemische details van dit proces, Bijlage 2 en Bijlage 6.



Figuur 3 meridianen, lokatie op lichaam en kans op afkoeling bepaald koper-, magnesium- en zinkgehalte.


Toepassing van werkingsmechanisme op shu transporting punten, polsdiagnose en diverse TCM variabelen

Het - hypothetische - werkingsmechanisme kan nu toegepast worden op een bepaalde groep acupunctuurpunten: de shu transporting points. Elk van de 12 meridianen bevat deze vijf punten. Figuur 1 beschrijft dat elk van de 12 meridianen toegewezen wordt aan 1 van de 5 elementen in het Wu Xing schema. Binnen het traject van elke meridiaan, dat wil zeggen op onderarm of bovenarm, is er een extra bijdrage, of accent op een van de vijf elementen. Bijvoorbeeld de niermeridiaan (fase Water) heeft op het onderbeen vijf shu transporting punten, waarbij punt Nier 1 aan element Hout wordt toegewezen, en punt Nier 10 aan element water, en zo zijn er nog drie overgebleven fasen die aan nierpunten toegewezen worden. In Figuur 4 is de locatie van deze punten weergegeven.

Een toepassing van deze shu transporting punten is de volgende. Het is een Japanse techniek. Dit kan de situatie zijn dat er een ''stagnatie'' langs het traject van bijvoorbeeld de niermeridiaan optreedt. (Dit kan een litteken zijn, of een blessure. Hierdoor worden bepaalde lichaamsbewegingen relatief beperkt). Dat er wat ''energetisch'' aan de hand is met de niermeridiaan, is te diagnosticeren met het vuurpunt op de niermeridiaan (nier 2). Blijkt het vuurpunt bij palpatie gevoelig te zijn, dan wordt prikken van het metaalpunt en waterpunt op de niermeridiaan geadviseerd (nier 7 en nier 10). Dit blijkt proefondervindelijk, en wordt al eeuwenlang op deze manier toegepast. Deze strategie is als uit te drukken in het beschreven werkingsmechanisme van TCM in dit verhaal.

Vergeleken met de romp zijn onderarmen en onderbenen relatief meer onderhevig aan de omgevings-temperatuur, zodat er andere eisen aan de (hoeveelheid) mitochondriën - in de spieren ter plekke - gesteld worden. De yangmeridianen met hun traject over de spieren bovenop de voet en de handrug, koelen het sterkst op bij de toppen van vingers en tenen. Op teentoppen bijvoorbeeld, zullen de meeste mitochondriën nodig zijn voor opwarming, met de meeste behoefte aan koperionen. Het cytosol kan koperionen afstaan aan deze mitochondriën. Omdat deze situatie continu plaatsvindt, kunnen koperionen van wat verderaf migreren (locatie van de yin meridiaan) naar deze mitochondriën van vingertoppen (traject van de yang meridiaan). Met koperionen van wat verderaf wordt bedoeld: de koperionen van de corresponderende yinmeridiaan (de blaasmeridiaan in het geval van de niermeridiaan). Zie rode pijlen in Figuur 4.

Vanuit voeten en handen beschouwd, geldt, dat hoe verder richting knie of elleboog men gaat, hoe minder snel daar afkoeling plaatsvindt. De benodigde hoeveelheid mitochondriën neemt bij de yangmeridianen af (zie blauwe stippen in Figuur 4 onder kopje yangmeridiaan). Richting knie zullen er daarom meer mitochondriën richting bijhorende yin meridiaan aanwezig blijven (zie blauwe stippen onder kopje yinmeridiaan). Prikken in een locatie met veel mitochondriën zal relatief veel koper- , ijzer- en zinkionen vrij laten komen. De acupunctuurpunten in figuur 4 met relatief veel blauwe stippen zijn de metaal en waterpunten op de yin meridiaan.

De reden dat een vuurpunt diagnostische waarde heeft is de volgende. Wanneer een type gedrag behorende bij de betreffende meridiaan minder voorkomt, of algemener: wanneer deze set van spieren (bijvoorbeeld door een litteken) minder gebruikt wordt, zal de hoeveelheid mitochondriën op dat traject laten afnemen. Minder spiergebruik dat wil zeggen een kleinere ATP behoefte geeft een kleinere hoeveelheid mitochondriën, minder conditie. In deze situatie zal eerder stagnatie optreden: wanneer er ineens toch meer ATP behoefte is, zal er te weinig productie zijn van ATP. De mitochondrien zullen sneller ''uitgeput'' zijn. Het cytosol zal de ATP productie deels overnemen, waarbij lactaat ontstaan, dat mogelijk bij palpatie enige drukpijn oplevert. Omdat van de vijf shu punten op een meridiaan, het Vuurpunt (zie figuur 4) het punt is met de minste mitochondriën, zal dit het eerst deze gevoeligheid bij palpatie vertonen. Het vuurpunt heeft daarom een diagnostische bijdrage.

In dit stukje draagt de hypothese over het werkingsmechanisme bij aan begrip voor het ontstaan van de shu transporting punten. Voor details wordt verwezen naar bijlage 2 en bijlage 6.

Figuur 4: Shu Transporting punten en hoeveelheid mitochondriën. Vuurpunten zijn diagnostisch. Water en metaal-punten zijn geschikte punten om te prikken indien het vuurpunt gevoelig is bij palpatie. Opmerkelijk is, dat de volgorde van de elementen in de shu transporting punten voor yinmeridianen anders is, dan voor yangmeridianen. In deze uitleg staat de hoeveelheid mitochondriën centraal.



Polsdiagnose.

Ook kan het voorgestelde TCM werkingsmechanisme gebruikt worden om de polsdiagnose te beschrijven. Een aantal zaken zijn hierbij van belang:

(1) Een armbeweging heeft invloed op het bloedvat rondom het boteinde onder de duim bij de pols, bij de locatie waar de polsdiagnose plaatsvindt, bij linker- en bij bij rechterpols. Zie Figuur 5. De uitvoering van spierbewegingen zal omringend bindweefsel in het traject van de spieren (meridiaan) wat laten slijten. Bindweefselcellen produceren met regelmaat wat lysyloxidase, en scheiden deze uit.  De beschadigde locatie in het bindweefsel kan een eindje verderop liggen, op de locatie van de toekomstige beschadiging. Het enzym lysyloxidase is daar in geinactiveerde vorm aanwezig. Pas als er een beschadiging is opgetreden in het bindweefsel een end verderop van de bindweefselcel, wordt het lysyloxidase daar actief gemaakt. Ditzelfde verhaal geldt voor het bindweefsellaagje rond het bloedvat dat om het polsbot van polsdiagnose ligt. Omdat spierbeweging dit bindweefsel om het bot laat glijden, zal dit eerder slijten, door het drukverschil dat tijdens de beweging ontstaat. Lysyloxidase zal het bindweefsellaagje bij locatie waar de polsdiagnose plaatsvindt aanpassen.

(2) Armbewegingen zijn er in drie soorten: een met gebruik van spieren langs traject van dikke darm meridiaan, een langs het traject van de dunne darm meridiaan en een langs het traject van de driewarmer meridiaan. Volgens de polsdiagnose leidt dit tot beinvloeding van drie verschillende locaties op het bloedvat waar deze diagnose plaatsvindt. De drie soorten bewegingen meer in detail beschreven zijn: een armbeweging die de armen naar boven beweegt (dunne darm meridiaan), een armbeweging die de armen naar voren en opzij (keuze naar links of naar rechts) beweegt, en een armbeweging die de armen naar voren (sorteren, opruimen) beweegt.

Duizenden jaren geleden is proefondervindelijk gevonden, dat bij de polsdiagnose er drie posities van belang zijn, passend bij de beschreven meridianen: (a) distaal, de duimpositie: armen naar beneden, (b) middenpositie: armen naar opzij, en (c) proximaal, de armen naar boven. Dit zegt dit iets de locatie van de slijtage / waar de reparatie plaatsvindt, en waar de geactiveerde lysyloxidase zijn werk kan doen. De diffusie van de door de bindweefselcel uitgescheiden lysyloxidase via lichaamsvocht (niet via bloedvaten) wordt mogelijk moeizamer als de armen omhoog staan of bewegen. Dit heeft als gevolg dat de armbeweging omhoog, dus volgens dunne darm- en blaasmeridiaan, de bindweefselaanpassing bij het botje op een wat meer proximale positie plaatsvindt. Bij de beweging van spieren langs de dikke darm meridiaan staan de armen relatief laag en zal de uitgescheiden lysyloxidase het makkelijkst verplaatsen via de intercellulaire vloeistof. Dit leidt tot de meest distale positie in de polsdiagnose. De beweging van spieren langs de driewarmermeridiaan leidt tot de positie in het midden van de twee andere posities.

Figuur 5: locatie van de polsdiagnose. De polsdiagnose wordt uitgevoerd bij een deel van het bot, gelegen aan de binnenzijde van de pols aan de duimzijde (de proces-sus styloideus radii). De polsdiagnose verschaft informatie over meridianen, die zowel over armen als benen verlopen. Hoe dit via de pols kan is in reguliere termen een grote vraag. Er bestaan meer dan 28 polsbeelden [66]. Bij de polsdiagnose wordt in feite de elasticiteit van het bindweefsel rond het bloedvat, samen met de activiteit van het spierlaagje rond het bloedvat waargenomen.

            


(3) Bij de polsdiagnose speelt balans een rol: de handhaving van de stand van het lichaam, zonder te vallen. Wanneer de armen van het lichaam af bewogen worden, is het daarom belangrijk dat tegelijkertijd de romp een compenserende beweging in tegenovergestelde richting maakt. Met andere woorden: een commando voor een armbeweging gaat samen met een tonische houdingsverandering van het lichaam, ter handhaving van balans. Een arm-beweging omhoog (dunne darm meridiaan), zal een compenserende beweging maken van strekken van de romp (blaas-meridiaan). Een armbeweging naar opzij, links of rechts, zal een compenserende beweging maken waarbij de romp gaat draaien (galblaasmeridiaan). Tijdens het nuttigen van de maaltijd zullen de armen rustig naar voren staan (energie wordt besteedt aan spijsvertering). De romp buigt wat naar voren (maagmeridiaan). Dit betekent dat het hersencommando voor een armbeweging ook informatie heeft over de bijbehorende beenbeweging. Deze koppelingen van arm- en beenmeridianen is herkenbaar in de systemen Tai Yang, Shao Yang en Yang Ming.

Omdat handhaving van balans noodzakelijk is, kan informatie over beenmeridianen in de polsdiagnose terecht komen. Bijvoorbeeld, een pijnlijke locatie langs het traject van de beenmeridiaan zal het gebruik van spieren rondom deze beenmeridiaan beperken. De bijbehorende, balanshandhavende beweging van de armmeridaan zal ook beperkt zijn. In de polspositie van de armmeridiaan zal deze verzwakte beenmeridiaan zichtbaar zijn. Bijvoorbeeld: een pijnlijke heup voorkomt dat het lichaam veel draait, zodat de galblaasmeridiaan minder gebruikt wordt. Dit zal op de lokatie van de driewarmermeridiaan in de polspositie zichtbaar zijn (de middenpositie in de linkerpols staat voor de galblaasmeridiaan). Een ander voorbeeld: wanneer iemand vanwege rugpijn moeite heeft om rechtop te staan (blaasmeridiaan), zal de beweging van spieren in het traject van de dunne darm meridiaan ook beperkt zijn. De blaasmeridiaan is bij de polsdiagnose af te lezen op de meest proximale positie van de pols. Het derde voorbeeld: een armbeweging langs het traject van de dikke darm meridiaan is niet erg balansverstorend: de distale positie van de polsdiagnose wordt niet beinvloed door een beenmeridiaan. In deze redenatie is er nog geen beschrijving van het verschil tussen polsdiagnose van de linkerpols en polsdiagnose van de rechterpols. Dit wordt in punt (5) beschreven. Daarna komen andere meridianen in beeld bij de polsdiagnose.

Het is nog relevant, te melden dat de tonische spanning van de beenmeridiaan meer mitochondriele activiteit heeft dan de fasische spanning van de armmeridiaan, waardoor de beenmeridiaan de meeste invloed heeft op het gecombineerde arm-been signaal dat de armbeweging aanstuurt.

(4) De polsdiagnose geeft informatie over de conditie van de meridiaan: is de blaasmeridiaan yinleeg of juist yangleeg? De conditie van een meridiaan is nu als volgt af te lezen uit de polsslag ter plaatste van een van de drie polsposities, passend bij de betreffende meridiaan. Hoe meer de armspier (gecombineerd met balans handhavende beenmeridiaan) gebruikt wordt, hoe beter de conditie in dat traject is, hoe meer mitochondriën zich daar zullen bevinden. Een goede conditie van een cel betekent voldoende koperionen in zowel mitochondriën als in cytosol. De polsslag is beinvloed door de elasticiteit van het bindweefsel rond het bloedvat, en door de hoeveelheid beschikbare lysyloxidase ter plaatse. Lysyloxidase wordt door een koperion-afhankelijk enzym geproduceerd in het cytosol van een bindweefselcel. De hoeveelheid lysyloxidase die een bindweefselcel produceert, is daarom afhankelijk van de hoeveelheid koperionen in het cytosol (zie Tabel 1). Eerder is beschreven dat ook zink- en magnesiumionen invloed hebben op hoe snel de bindweefselcel de lysyloxidase produceert.

De conditie van het lichaam is overigens ook waar te nemen in het spierlaagje rondom het bloedvat van de polsdiagnose. Ook speelt hier de aanname dat de conditie van de armspier een grote invloed heeft op de conditie van de bindweefselcellen in de buurt van de armspier.

(5) Een verschil tussen linker- en rechterpols kan als volgt ontstaan. De lever ligt asymmetrisch in het lichaam: meer rechts dan links. De lever is verantwoordelijk voor veel biochemische reacties, die vooral 's nachts ook plaatsvinden. Het feit dat de lever 's nachts de meeste warmte produceert, kan bijdragen aan het verschil tussen linker- en rechterpols. Omdat de lever relatief rechts ligt, zal 's Nachts zal de linkerpols die verder van de lever af ligt, relatief ietsje meer afkoelen, dan de rechterpols. Ter compensatie zullen de mitochondriën bij de linkerpols iets meer stoken (meer koperionen in de mitochondriën). De mitochondrien in de rechterpols zullen iets minder hoeven te stoken: in de rechterpols gaan meer zinkionen in de mitochondrien zitten, om de mitochondrien wat af te remmen (zie Bijlage 2 voor details). In de linkerpols lenen de mitochondrien meer koperionen, zodat er in het cytoplasma minder koperionen overblijven voor de productie van lysyloxidase (zie Tabel 1). Dit heeft invloed op het bindweefsellaagje bij de pols. De linkerpolsdiagnose is daarom gevoeliger voor een kopertekort.

Een dergelijke redenatie kan worden gegeven voor zinkionen. De rechterpols bevindt zich dichterbij de lever. De mitochondrien in de bindweefselcellen in de rechterpols trekken relatief meer zinkionen naar zich toe, zodat er minder zinkionen in het cytoplasma overblijven. De rechterpols zal gevoeliger zijn voor een zinktekort.

De productie van lysyloxidase is mede afhankelijk van zinkionen: Zinkionen stimuleren de productie van metallothioneine in het cytosol. Metallothioneine brengt vervolgens koperionen naar het golgi apparaat, waar de koper wordt ingebouwd in lysyloxidase. De linkerpols en rechterpols bestaan daarom uit zes verschillende polsposities op, die in principe door zes verschillende meridianen worden beinvloed.

(6) Hoe komen maagmeridiaan en andere overgebleven meridianen in de polsdiagnose terecht? De galblaasmeridiaan toont zich in de middenpositie van de linkerpols, omdat deze meer beinvloedt wordt door koperionen. Bij pijn in het traject van de maagmeridiaan is het lastig om het lichaam te draaien. Zinkionen spelen een belangrijke rol in de maagmeridiaan, bijvoorbeeld in de (zinkafhankelijke) productie van het maagslijm, en in het algemeen ook de vertering via darmen (zinkafhankelijke verteringsenzymen). Dit is de reden dat de maagmeridiaan in de middenpositie van de rechterpols waargenomen wordt.

De blaasmeridiaan op de proximale polspositie weerspiegeld vertoont in de rechterpols meer de yangleegte - aspecten, en in de linkerpols meer de yinleegte -aspecten. TCM beschrijft hier de nieryang respectievelijk de nieryin aspecten.

Bij problemen in de borstkas, zoals moeilijk ademhalen, is de borstkas inclusief schouders gespannen. Als er hartproblemen zijn, wordt zuurstof minder goed rondgepompt, en kan een zuurstof tekort ontstaan. Dit vergroot de behoefte aan ademhalen, er is benauwdheid en gespannenheid van de spieren in de borstkas. Blijkbaar is het hart meer beinvloed door een kopertekort. Mogelijk speelt adrenaline hier een rol: de vorming van adrenaline heeft koperafhankelijke enzymen nodig. Blijkbaar zijn de longen meer beinvloed door een zinktekort. De behoefte aan ademhalen is afhankelijk van de concentratie CO2 in het bloed. Het enzym (carbonic anhydrase) dat de omzetting van CO2 naar HCO3- regelt is een zinkafhankelijk enzym [142]. Deze omzetting vindt plaats in de longblaasjes (van HCO3- naar CO2) en bij de cellen (van CO2 naar HCO3-) en is nodig om CO2 te vervoeren van de cellen naar de longen en naar buiten. (Vermoedelijk: "Meer zink in de cellen die carbonic anhydrase produceren").

(7) De linkerpols laat eerder een bloedleegte zien dan de rechterpols. Voor de opname van ijzer in elke lichaamscel zijn koperionen nodig. Dit heeft de maken met het transporteiwit voor koperionen in het bloed, ceruloplasmine. Bij elke cel aangekomen, zet ceruloplasmine (samen met koper) ijzer om in een geschikte vorm (Fe2+ naar Fe3+), zodat de ijzerionen opgenomen kan worden in alle cellen [41]. Bij een kopertekort zal er ook een tekort zijn aan ijzer in de cellen.

(8) Ook laat de linkerpols eerder een magnesiumtekort zien (yinleegte) dan de rechterpols. Als de mitochondriën teweinig koperionen bezitten, zullen de mitochondriën ter compensatie meer magnesium gebruiken (zie Bijlage 2 en Bijlage 6).

(9) Er zijn geen zes meridianen maar 12 meridianen: 6 yinmeridianen en 6 yangmeridianen. Een diepe pols staat voor yangleegte. Een oppervlakkige pols staat voor yinleegte. Het verschil tussen een diepe en een oppervlakkige pols ontstaat als volgt.

Een diepe pols staat voor yangleegte. Een kopertekort is een vorm van yangleegte. In de winter wordt de warmte binnengehouden, bloedvaten versmallen in de oppervlakkige huidlagen, zodat zij minder warmte afgeven. Aan de oppervlakte moeten de mitochondriën meer stoken, meer koperionen gaan naar de mitochondriën. Er blijven minder koperionen over om lysyloxidase te produceren. Oppervlakkig is er meer afkoeling dan in de diepte, oppervlakkig is het bindweefsel van het bloedvat slapper dan diep: vandaar de diepe pols.

Een oppervlakkige pols ontstaat als volgt. Gesteld is dat magnesium tekort een vorm van yinleegte is. En dat het tekort aan magnesium zowel voor het mitochondrium als voor het cytoplasma geldt. Om aan de ATP behoefte te voldoen, zal er relatief veel hitte door de mitochondrien geproduceerd worden (zie Figuur 2). Neemt hierdoor de ATP behoefte van de diepere laag af? Met als rede dat de oppervlakkige laag mogelijk zijn warmte niet kwijt kan? Is deze steviger oppervlakkige laag dan diepere laag meer bepaald door het spierweefsel rondom het bloedvat? Meer ATP in de oppervlakkige laag betekent grotere spierspanning waardoor de vatwand beter gevoeld wordt bij de palpatie?

(10) Een grote pols kan ontstaan , als de lever bij een ontsteking meer koperionen afstaat aan het bloed. Hierdoor zijn er meer koperionen in het cytosol van de bindweefselcel, waardoor meer lysyloxidase geproduceerd kan worden. Een grote pols ontstaat eerder in de rechterpols. Verhoging als EPF op de distale positie, en als de pathogene factor hitte meer intern gaat kan dit op de midden positie waar te nemen zijn als een grote pols.

De Wu Xing elementen beschrijven koppels van twee meridianen, een yinmeridiaan en een yangmeridiaan. Een yangmeridiaan is relatief meer herleid van spierbewegingen, en een yinmeridiaan is mogelijk relatief meer herleid van het verzorgen van de spieren, toevoer van voedsel naar de spieren en afvoer van afval. Bij de beschreven fysiologie gerelateerde gedrag en sets van spierbewegingen gaat het daarom in feite over het koppel yin yang meridianen..


Seizoensinvloeden op de pols

De vier seizoenen winter, herfst, zomer en lente geven elk een effect bij het polsbeeld, wat als normaal wordt verondersteld. Winter, herfst, zomer en lente geven respectievelijk: een diepe pols, oppervlakkige pols, grote pols en stagnatie in de pols. TCM beschouwt nog een vijfde seizoen, de nazomer met een glijdende pols. Deze polsbeelden kunnen ook beschreven worden in koper-, zink- en magnesium termen. De metaalionen beinvloeden metallothioneine en lysyloxidase, en dus de stevigheid van de wand van het bloedvat (zie Tabel 1). De seizoenen zijn verschillend in temperatuur, vochtigheid, zonlicht, behoefte aan lichaamsbeweging en beschikbare hoeveelheid voedsel. Deze verschillen sturen het polsbeeld bij. Zie Figuur 6. Voor biochemische details wordt ook verwezen naar Bijlage 2 en Bijlage 6.

Zonlicht stimuleert de vorming van vitamine D. Vitamine D remt het ontkoppelingseiwit in de mitochondriën (zie Figuur 2). Hierdoor wordt sneller ATP gevormd, met minder warmteproductie.


Figuur 6: Seizoenspolsen uitgedrukt in koper-, zink- en magnesium. In de zomer is het warm. Een volle grote pols in de zomer, heeft te maken met het feit dat er weinig verwarmd hoeft te worden, en de mitochondriën minder koperionen nodig hebben. In het cytoplasma is dan ruim voldoende koper over voor veel productie van lysyloxidase (waarin een koperion gebouwd is) en stevige elastisch bindweefsel in de wand van het bloedvat.

In de winter is het koud. Een diepe winterpols heeft het omgekeerde effect vergeleken met wat in de zomer plaatsvindt. De mitochondrien hebben een grote warmteproductie en energieproductie, en daarom veel koperionen nodig. In het cytoplasma bevindt zich dan minder koper, waardoor er een lagere productie van lysyloxidase is, en daardoor zowel diepe als oppervlakkige vaatwand slap zijn. Ter voorkoming van verlies van warmte in de winter zal het vat dieper liggen. De lever is een opslagplaats voor koperionen, geeft ceruloplasmine waaraan koperionen gebonden, af aan het bloed, en zal de behoefte aan koperionen vermoedelijk bijstellen, afhankelijk van grote verschillen in weersomstandigheden, zoals zomer en winter.

Er wordt in de lente gejaagd/gezocht naar voedsel, veel ATP verbruikt, maar voordat er een prooi gevangen wordt, is er nog weinig voedsel beschikbaar. Hierdoor ontstaat stress, en door de stress komt er adrenaline vrij dat ervoor zorgt dat er wat meer suikermoleculen in het bloed komen. Bovendien zet adrenaline de lever aan tot afgifte van meer koperionen aan het bloed. Bindweefselcellen kunnen daardoor meer lysyloxidase produceren: de polswand is voelbaar. Stagnatie is te beschouwen als ATP behoefte maar te weinig aanvoer van nutrienten. Dit kan zijn in totale aanvoer (leegte maar geen uitputting) of doordat de weg naar de cel gehinderd wordt. De pols in de lente heeft strakheid en maar en kleine slag en wordt koordpols genoemd. De te kleine slag ontstaat doordat er wat ATP tekort is. De dunne spierlaag in het bloedvat draagt blijkbaar bij aan het voortbewegen van het bloed en aan de uitslag van de pols: minder ATP kan blijkbaar leiden tot een kleine slag.

De pols in de nazomer is gemakkelijk ''slippery'', een grote wat vertraagde soepele slag. In de nazomer is het nog warm, maar ook vochtig, waardoor de warmte minder gemakkelijk het lichaam verlaat. Fysieke inspanning wordt in een vochtige eerder wat vermeden. Er is in de nazomer een overvloed aan fruit (fructose in het fruit) Er is meer voedsel aanbod dan er gebruikt wordt: de mitochondrien dienen afgeremd te worden. Dit afremmen gebeurt via opname van zinkionen in de mitochondrien (Zie bijlage 2: oorzaak is de ROS die eerder vrijkomt bij de combinatie veel nutrienten en weinig ATP behoefte). Hierdoor zijn er minder zinkionen in het cytoplasma, waardoor er minder metallothioneine wordt gemaakt. metallothioneine brengt koperionen naar het Golgiapparaat, waar de koperionen in het lysyloxidase wordt ingebouwd. Minder zinkionen in het cytoplasma betekent daarom minder lysyloxidase en een slapper bloedvatwand. De nazomer heeft een glijdende pols: een bloedvatwand met slapper, elastischer bindweefsel. In de spierlaag rond het bloedvat bevinden zich wel veel mitochondriën, waardoor er wel genoeg ATP is voor een mooie (maar iets vertraagde) slag .

Het polsbeeld van het najaar heeft een neiging tot een oppervlakkig beeld, een ''oppervlakkige pols''. In het najaar neemt de hoeveelheid zonlicht af, waardoor ook de vorming van vitamine D in de huid afneemt. Vitamine D ondersteunt de werking van magnesium in de mitochondrien [112]. Dit gebeurt in de zomer: er is minder koper aanwezig. Een toename van ATP behoefte, als er op een dag veel energie nodig is, wordt opgevangen met magnesium. Omdat vitamine D de werking van magnesium ondersteunt, vindt er een toename van ATP plaats. Hierdoor is er minder magnesium in de mitochondriën nodig, en komt er meer magnesium in het cytosol, en zal er minder lysyloxidase geproduceerd worden wat een steviger vaatwand geeft (zie Tabel 1). In het najaar is er een kleinere vitamine D produktie, waardoor er meer magnesium nodig is in de mitochondria. Waarom een oppervlakkige pols? Vitamine D wordt in de huid gevormd: het oppervlakkige deel zal daarom meer invloed van vitamine D ondervinden. In het najaar heeft een vitamine D daarom eerder effect in deze oppervlakkige lagen. In het najaar vertrekt magnesium van het cytosol naar het mitochondrium, waardoor er meer metallothioneine in het cytosol aanwezig is. De vaatwand aan de oppervlakte zal steviger zijn dan de vaatwand in de diepte, wat een oppervlakkige pols als polsbeeld zal opleveren.





Yin, Yang, hitte, kou, damp, slijm, wind, bloedleegte en droogte in termen van koper-, zink- of magnesiumionen.

Tenslotte worden een aantal TCM variabelen gerelateerd aan koper-, zink- en/of magnesium ionen. In Figuur 7 staat kort omschreven hoe deze relatie gelegd wordt.

In de tongdiagnose staan cracks, of barstjes in de tong staan yinleegte [54]. In de huid van de tong bevinden zich sneldelende cellen, waarbij conditie van de mitochondrien een rol spelen, en wat vermoedelijk de reden is dat de tong voor TCM diagnostische waarde heeft. Een deficientie in vitamine B (B1, B2, B3, B6 of B12) kan glossitis veroorzaken [9]. Glossitis is een ontsteking van de tong, wat ook pijnloos kan zijn. B12 tekort kan de tong een ''biefstuk achtige indruk'' geven: veel fissuren en een rode tong. Magnesium deficientie verslechtert de opname van vitamine B. Maar omgekeerd kan het slikken van veel vitamine B ook magnesium ''verbruiken''. Volgens TCM kan de lever ook yinleegte hebben: een aantal vitamine B's zoals B6, spelen een belangrijke rol bij goed functioneren van de lever. Dit geeft een beschrijving dat cracks in de tong en yinleegte in de lever, via vitamine B tekort, met magnesiumtekort kunnen samenhangen..

Figuur 7: Enkele TCG variabelen uitgedrukt in koper-, zink- en magnesiumionen. De eerste tabel beschrijft twee yin-yang koppels: zinkion-koperion en magnesiumion-zinkion. In het tweede koppel is droogte geassocieerd met een magnesiumtekort.

De tweede tabel beschrijft de TCM begrippen ''hitte'' en ''kou''. Beide termen zijn onder te verdelen in ''een leeg'' en een ''vol'' type. Deze redenatie is gebaseerd op de rol van koper, zink en magnesiumionen in mitochondrien. Figuur 2, het laatste schema met de pijlen vormt de basis van deze redenatie. De derde tabel beschrijft een aantal aspecten van het TCM begrip damp en het TCM begrip slijm. Damp is een aspect van ontsteking, waarbij vocht wordt vastgehouden. Damp kan geassocieerd zijn met synthese van lipiden en cholesterol, welke start in de mitochondrien door de aanwezigheid van extra zinkionen in de mitochondrien (waardoor mogelijk weinig zinkionen in het cytosol). Slijm ontstaat, als er teveel glycoproteinen in het bloed komen, wat ontstaat bij teveel glucose in het bloed. Zinkionen stimuleren de opname van glucose in elke cel. De vierde tabel beschrijft de TCM termen wind, bloedleegte en bloedhitte. Wind is een symptoom dat zich telkens verplaatst en kan veroorzaakt worden door een slechtere leverfunctie (TCM aspect van lever). Bij geleiding van zenuwen spelen koperionen en vitamine B12 een rol. Mitochondrien spelen een belangrijke rol bij geleiding [115]. Bovendien maakt een actiepotentiaal gebruik van natrium- en kalium kanaaltjes, in de vorm van actief transport. Actief transport is een proces dat energie nodig heeft, ATP, welke door de mitochondrien geproduceerd wordt. Bloedleegte kan betrekking hebben op het gegeven dat door een koperiontekort een ijzeriontekort kan ontstaan. Om ijzer te laten opnemen is een redox reactie nodig van ijzer, wat gebeurt via koperionen, gebonden aan hun tranporteiwit in het bloed, ceruloplasmine. Het TCM begrip bloedhitte kan samengaan met het snel ontstaan van bloedingen. Bloedstolling is een koperafhankelijk proces. Gelet op de metaalionen waar de termen van afhankelijk zijn, is af te leiden dat damp eerder in de rechterpols gediagnosticeerd wordt en bloedleegte, en yinleegte eerder in de linkerpols. Eerder is beschreven dat zinktekort kan leiden tot het snel ontstaan van bloedingen.




                  


      


       


Wetenschappelijk onderzoek

Tenslotte worden enkele wetenschappelijke onderzoeken geinterpreteerd volgens bovenstaand verhaal [11-17]. Recent onderzoek toont een verband aan tussen een zinktekort en Yang leegte, en tussen een magnesiumtekort en Yin leegte met lege hitte (Teng, 2015, [11]). In het bloed van patiënten met hepatitis B en lever cirrhose zijn zink, ijzer, koper en magnesium gemeten. De TCG diagnose van deze hepatitis patiënten was divers, wat vaak voorkomt in TCG. Van alle TCG diagnoses had de diagnose ''damp'' de laagste zink concentratie in het bloed. TCG beschrijft dat damp samengaat met Yangleegte. Van alle TCG diagnoses had de diagnose ''toxische hitte'' de laagste magnesium concentratie in het bloed. Dit past bij het idee dat er lege hitte is gevormd kan worden door een magnesium deficientie. Het chronische karakter van de ziekte en de bijbehorende verhoging zal vermoedelijk koper uitputten, en magnesium uit het cytosol naar de mitochondriën laten gaan. Hierdoor ontstaat in het cytosol, maar blijkbaar ook in het serum een magnesiumtekort.

Dat acupunctuur bij pijn werkzaam is, is het meest bekend. Pijn kan acuut zijn, zoals bij spierpijn, na langdurig gebruik van betreffende spier, en daarbij lactaat ontstaan is, of bij ontsteking. In principe heeft pijn een beschermende werking, opdat de locatie van de pijn minder gebruikt wordt, totdat herstel of genezing is opgetreden. Na herstel zou de pijn weer moeten afnemen. Pijn over langere termijn, chronische pijn heeft een ander biochemisch mechanisme, dat nog niet geheel duidelijk is. Bij pijn is de neurotransmitter glutamaat betrokken. Glutamaat-receptoren worden geremd door koper-, zink- en magnesiumionen [35, 38].

Bij chronische pijn is het magnesiumion uit de glutamaatreceptor (de NMDA soort onder de glutamaat-receptoren) vertrokken [106]. In de dorsale wortel van het ruggemerg waar de zenuw loopt, die pijngewaar-wording doorgeeft, komen veel glutamaatreceptoren en purinerge receptoren (waarop ATP en adenosine de neurotransmitters zijn) voor. Wanneer in een celcultuur van cellen uit dorsale hoorn van ruggemerg ATP wordt toegevoegd, wordt glutamaat vrijgegeven [107]. Bij chronische pijn ontstaan in de dorsale wortel meer receptoren voor ATP (P2X4) [108]. Blokkade van deze ATP receptoren geeft afname van de pijn [108]. Acupunctuur, toegepast perifeer (ledematen), geeft een afname van de hoeveelheid ATP receptoren [109, 110]. Dit laat zien dat acupunctuur effect heeft op aspecten van het mechanisme van chronische pijn.

Wat is het fysiologische nut van het effect van acupunctuur? Acupunctuur staat voor een tweede beschadiging wat het immuunsysteem moet aanpakken. Dit zou kunnen dienen om de aandacht te verschuiven van de oude pijnlocatie naar de nieuwe pijnlocatie, waarbij het aantal purinerge receptoren in de dorsale wortel afneemt, en dan ook de sensatie van de pijn. De pijnbestrijdings-methode van Tan maakt hier gebruik van, en selecteert acupunctuurpunten op locaties zonder pijn, die vaak betrokken zijn bij een gemeenschappelijke beweging, bijvoorbeeld lopen, waarbij armen en contralaterale benen tegelijk worden aangestuurd. Het gemeenschappelijk neurale traject - in ruggemerg en hersenen - kan bij chronische pijn geleerd hebben de pijn te blijven waarnemen. Mogelijk is het resultaat van de Tan methode een reset van dit gemeenschappelijke deel.

Wat zou de rol kunnen zijn van koper-, zink- en magnesiumionen in de waarneming van pijn? Zoals hier eerder beschreven is, bepalen deze ionen via lysyloxidase de stevigheid van het bindweefsel in elk acupunctuurpunt. De hersenen lezen via proprioceptie (tastzin, spierspanning) de mate van elasticiteit, volte of leegte in elk acupunctuurpunt en interpreteren dit. Welke spierbewegingen zijn recent veel gebruikt (overbelast) en welke zijn lang niet gebruikt (slap)? Dit kan geassocieerd zijn met welk gedrag en met welke bijpassende fysiologie en organen die relatief meer werken in de context van deze beoordeelde set spierbewegingen (zie Wu Xing schema met vijf elementen in Figuur 1). Een pijnlijke lokale ontsteking beinvloedt de lokale elasticiteit van het bindweefsel, waarbij koper- zink- en magnesiumconcentratie in de cellen meedoen. Organen beinvloeden deze ionconcentraties: tijdens de spijsvertering komen veel enzymen en zinkionen vrij in de darmen. Deze zinkionen worden mee opgenomen in de bloedsomloop, en komen op gegeven moment ook bij het bindweefsel bij acupunctuur-punten. Als op dat moment - tijdens of vlakna het eten - de spieren net belast zijn, kan lysyloxidase de locale elasticiteit van het bindweefsel bijsturen. Een ander voorbeeld is dat stress (adrenaline) de lever aanzet tot de afgifte van koperionen aan het bloed. Spieren die tijdens deze stress gebruikt worden - wegduiken of je juist goed links en rechts in de ruimte bewegen voor de lichamelijke activiteit die je hebt te doen - worden via lysyloxidase in de buurt van de gebruikte spieren bijgesteld. Koper-, zink- en magnesiumionen dragen op deze manier indirect bij aan het pijnmechanisme. Zoals eerder beschreven, draagt magnesium ook direct bij aan chronische pijn door Bij chronische pijn is het magnesiumion uit de glutamaatreceptor (de NMDA soort onder de glutamaat-receptoren) vertrokken [106].

In detail: Koperionen remmen de P2X4 receptor in de dorsale wortel van het ruggemerg. Zinkionen stimuleren juist de P2X4 receptor [111]. Zinkionen (behorende bij fase Aarde) spelen een rol bij leren, het versterken van de synaptische verbinding tussen twee neuronen [113]. Glutamaat speelt bij dit leren een rol via diens glutamaat (NMDA) receptoren [113]. Een acute locale beschadiging met acute pijn vertoont eerst een fase waarbij macrofagen type M1 lichaamsvreemde deeltjes en het weefsel aanvallen (en beschadigen, met NO). Vervolgens - geleidelijk aan steeds meer - treedt er een herstelfase op, waarbij macrofagen type M2 groeihormoon afstaan [44-46]. M2 gedijt beter in een omgeving met meer zinkionen. Tijdens de M2, met herstel, is het van belang voorzichtig te bewegen, zodat het herstel passend is bij lichaamsbewegingen. Als het lichaam dan nog pijn ervaart, dan kan de acupunctuur de pijn laten afnemen, zodat de oefeningen wel goed kunnen worden uitgevoerd.

Over de ''zinkfase'' M2: tijdens voorzichtige spierbewegingen hoeft zink de mitochondriën niet af te remmen, want er is behoefte aan ATP bij spierarbeid. Zink kan vervolgens vertrekken naar het cytosol en misschien van daaruit naar de extracellulaire ruimte en de bloedsomloop. Over de ''koperfase'' M1: door stress, adrenaline, kan de lever koper aan het bloed afgeven. Koperionen remmen de P2X4 receptor. Het nut van demping van pijn door stress is, dat bij vechten of vluchten de pijn niet gevoeld wordt.

In de anamnese van acupunctuur wordt de pijn onderverdeeld, onder anderen, in pijn dat afneemt tijdens beweging en pijn dat afneemt tijdens rust. Dat dit tot een keuze van andere punten leidt in de acupunctuur behandeling, daarvan is nu een beeld bij te vormen met een rol in dit beeld voor koper-, zink- en magnesium ionen. Ervarings-deskundigen weten allang dat pijn je leefwijze beinvloedt, slapen, bewegingspatroon, stress, gezonde voeding, een regelmatig leven. Van belang is een goede conditie door regelmatig (passende) lichaamsbeweging te doen, en met regelmaat te ontspannen en te slapen.


Samenvatting

in dit verhaal is geprobeerd om het werkingsmechanisme van acupunctuur en shiatsu, ofwel de Traditionele Chinese Geneeswijze (TCM) die hieraan ten grondslag ligt, uit te drukken in termen van koper-, zink-, en magnesiumionen. Uitgangspunt is, dat rond een geprikt acupunctuurpunt een toename van koper-, zink en ijzerionen is gemeten [1]. De stevigheid van de lokale bindweefselstruktuur wordt ook beinvloed door de activiteit van spieren in de buurt van het acupunctuurpunt. Een minder functionerend orgaan (b.v. door afname van mitochondriën) oefent ook invloed uit op de stevigheid van een acupunc-tuurpunt in de buurt van het orgaan. Dit is wat TCM veronderstelt. Anderszijds, de hersenen worden verondersteld de ''actieve meridiaan als geheel'' te interpreteren als een bepaald gedrag en fysiologie. Hierdoor kan prikken op een gestagneerd of leeg punt, effect hebben op de meridiaan (waar het punt op ligt) als geheel. ''Distaal prikken'' aan het andere uiteinde van de meridiaan dan waar op de meridiaan de aangedane locatie zit (b.v. een pijnlijk punt), maakt de meridiaan als geheel ''gevoed'', zodat deze set spieren behorende bij gedrag en bepaalde fysiologie, zich kunnen herstellen en ontspannen, zodat dit gedrag niet meer onderdrukt wordt, of te gespannen wordt uitgevoerd. Dit effect is tijdelijk, zolang het lichaam zich de kleine beschadiging in geprikte punten herinnert. Het kan aanzettten tot stimulering van het zelfgenezend vermogen en andere processen op gang brengen, indien het lichaam deze capaciteit bezit.

Uiteinden van meridianen op vingers, tenen, oksel, zij of bij zintuigen zijn vaak gevoelig voor aanraking. Vingers en tenen zijn bevattelijk voor afkoeling van de omgeving, en hebben in de hersenen een grotere representatie. De mate van stevigheid van lokaal bindweefsel zegt iets over de recente spieractiviteit van de afgelopen week, van spieren in de omgeving van het punt. Beide processen, zowel de mate van stevigheid van locaal bindweefsel, als recente spieractiviteit, worden verondersteld samen te gaan met het teloor gaan van enkele mitochondriën, waardoor de ionen uit deze mitochondriën in het cytosol of vrijkomen in de extracellulaire ruimte. Tijdens de slaap worden nieuwe mitochondriën gemaakt. Lichamelijke beweging en prikken laat enkele zwakkere versies van de vele mitochondriën in cellen sneuvelen. Deze mitochondriën worden tijdens de slaap vernieuwd. Bij voldoende lichaamsbeweging leidend tot een goede conditie zijn er uiteindelijk meer mitochondrien in de spieren van het lichaam [9]. De mitochondrien vormen een reservevoorraad van koper zink en magnesium, die tijdelijk vrijkomen bij toename van lichaamsbeweging en bij prikken.

De hersenen maken een associatie tussen bewegingen van verschillende spiergroepen die gelijktijdig plaatsvinden, en bepaald gedrag. Dit geheel vormt in de hersenen het concept ''meridiaan''.Ook draagt deze manier van proprioceptie bij aan de waarneming van pijn.

Uitgangspunt vormden de mitochondriën, die verantwoordelijk zijn voor de productie van warmte, en energie (ATP). Deze twee begrippen staan ook centraal in de TCG. De 'thermostaat'' van de lichaams-temperatuur bevindt zich in de hypothalamus in de hersenen, dat hormonen afgeeft via hypofyse in de hersenen aan het bloed. Deze hormonen beinvloeden het activiteitsnivo van diverse hormoonklieren. Fijnregeling vindt echter ook plaats in elke cel in het lichaam met mitochondriën. In de mitochondriën bepaalt de verhouding tussen koper, zink en magnesium de productiesnelheid en daarom de hoeveelheid warmte en energie, en of er meer warmte of juist meer energie gevormd wordt. Belangrijkste aanname in het verhaal is dat deze drie ionen de warmte en ATP productie kunnen bijregelen. Of er op een bepaald moment meer warmte nodig is, of juist meer energie, is afhankelijk van het fysiologische proces op dat moment, passend bij een bepaald gedrag. Deze behoeften varieren over een etmaal, en zodoende zijn er bepaalde gewoontes en ritmes, net als bij fysiologie gerelateerd gedrag. Wetenschappelijk onderzoek heeft in het bloed een circadiaans ritme (24 uurs-) in koper, zink en magnesiumionconcentraties gevonden. Een circadiaans ritme in koper-, zink- en magnesiumionen is gemeten in het bloed [50-52], met een maximum voor zink in de ochtend en een maximum voor koper en magnesium in de namiddag. 's Nachts neemt koper in het serum af, vermoedelijk door de mitogenese. Ook het messenger RNA voor metallothioneine (type MT-1) vertoont een circadiaans ritme met een maximum in de namiddag [69]. Behalve een circadiaans ritme is er ook een ritme in de menstruatiecyclus gemeten. Zink en oestradiol nemen in het plasma toe in de periode tussen menstruatie en ovulatie [61]. In de daarop volgende periode van ovulatie naar menstruatie neemt koper toe [61] en gaat het gele lichaam in de eileider progesteron en oestradiol produceren. In termen van werkingsmechanisme: in de eerste periode zit veel zink in de mitochondria, waardoor er de novo cholesterol synthese kan plaatsvinden. Uit dit cholesterol wordt oestradiol gemaakt. Oestradiol heeft een positieve invloed op de koperabsorptie via de darmwand [62]. In de tweede periode neemt koper toe in het serum. Uit oestradiol kan progesteron worden gemaakt. Acupunctuur kan een regulerend effect op menstruatie hebben.

Relatie tussen zinkionen en hormoonproductie

Net als oestradiol en progesteron wordt ook cortisol ook uit cholesterol gemaakt. Gemeten is dat depressie samengaat met een verlaagde zink/koper in het serum, vermoedelijk een verlaagde zinkion-concentratie in zowel mitochondrien als cytosol. Weinig zink in mitochondrien betekent dat de citroen-zuurcyclus minder gestimuleerd wordt om citroenzuur naar het cytosol te laten vertrekken voor cholesterol synthese in het cytosol. Vertaald in het TCM-werkingsmechanisme zou dit misschien betekenen dat er teweinig mitochondrien als geheel aanwezig zijn. De circadiaanse toe- en afname van koper, zink en magnesium in het cytosol is dat ook klein, en het circadiaans ritme kan dempen.Dit kan een beeld geven van langdurige stress, burnout en cortisol uitputting. Een beperking van de hoeveelheid dopamine en serotonine kan misschien ook mede veroorzaakt worden door een kleinere voorraad aan mitochondrien (in bepaalde delen van de hersenen).

Acupunctuur en in wezen TCG in het algemeen proberen de verhouding tussen koper-, zink- en magnesiumionen weer te optimaliseren. Hiermee kunnen hormonen en neurotransmitters gemaakt worden. Melatonine en prolactine worden optimaler aangemaakt, waardoor slapen in principe beter zal gaan. Gedurende de slaapperiode worden meer mitochondrien gemaakt. Na een acupunctuurbehandeling is er vaak meer behoefte aan rust, en er wordt geadviseerd, om hieraan toe te geven. Uitgaande van voldoende beweging overdag, zullen de minder goed functionerende mitochondrien afbreken, om 's nachts tijdens de slaapperiode weer te worden vervangen. Voldoende mitochondrien betekent vermoede-lijk voldoende MAO in de buitenste membraan van de mitochondrien, zodat adrenaline (maar ook de andere catecholamines, zoals dopamine en noradrenaline, en ook serotonine) weer afgebroken wordt, en men goed zich kan ontspannen.

Onderwarmer, middenwarmer en bovenwarmer

De drie ionen die de productiesnelheid van warmte (en energie) mitochondrien ieder op een andere manier beinvloeden kunnen beschouwd worden als het TCM begrip ''drie warmers''. De middenwarmer (spijsver-tering) reguleert de zinkionen. Tijdens de spijsvertering neemt de zinkconcentratie af in het bloedplasma [145]. Zinkionen van de spijsverteringsenzymen gaan met het voedsel mee via de darmen naar het bloed en naar de lever. De bovenwarmer (de hersenen, waarbij men gewaarwordt dat hart meedoet) reguleren de koperion hoeveelheid in het bloed, via stress - aansturing van bijnieren - waardoor adrenaline de lever aanzet tot afgifte van koperionen aan het bloed. Met betrekking tot de onderwarmer: de nieren bezitten zeer veel magnesiumkanalen, en hebben daarom vermoedelijk een grote bijdrage aan de regulering van de totale hoeveelheid magnesium in het bot. Zo nodig, dan wordt bij een magnesium-tekort het bot aangesproken. Voldoende rust (slapen) is mogelijk als tegelijkertijd het parasympathische zenuwstelsel voldoende magnesiumionen bezit om acetylcholine af te remmen tijdens de slaapperiode. Het blijft moeilijk om in termen van oorzaak en gevolg te denken, zowel regulier (feedback) als in TCM (yin yang). Volgens TCM kan slaaptekort of langdurig te hard werken leiden tot een yintekort. Blijkbaar hebben de nieren nodig dat er voldoende rust (en slaap) is.

Bij natuurlijke variaties in hoeveelheid mitochondriën zoals bij seizoenen (zie polsdiagnose), is op het maximum van de hoeveelheid mitochondriën, enerzijds een maximum hoeveelheid ionen (koper, zink en magnesium) in de mitochondriën en anderzijds een minimum hoeveelheid mitochondriën in het cytosol. Dit zijn hypotheses in het werkingsmechanisme.

Bij pathologie of disbalans gebeurt juist het omgekeerde: bij pathologie gaan de ionvariaties in mitochondriën en cytosol juist gelijk op en zijn ze niet meer tegengesteld: bijvoorbeeld een minimum hoeveelheid koperionen in de mitochondriën gaat dan samen met een minimum hoeveelheid koperionen in het cytosol. Gesommeerd over deze disbalans werkt het effect van natuurlijke variaties, zoals bijvoorbeeld seizoenen, wat zichtbaar is in de polsdiagnose.

De polsdiagnose binnen TCM kan met dit TCM werkingsmechanisme uitgedrukt in koper-, ijzer-, zink- en magnesiumionen worden beschreven. Ook levert dit werkingsmechanisme een beeld op waarom bij de Shu Transporting Punten juist palperen van het vuurpunt diagnostisch is voor betreffende meridiaan waarop dit punt zich bevindt. Met daarbij het beeld voor de regel, dat bij een gevoelig vuurpunt het de bedoeling is om op dezelfde meridiaan het metaal - en waterpunt te prikken. Voor zover mij bekend, is hier nog geen andere reguliere beschrijving voor.

Benadrukt dient te worden, dat dit voorgestelde TCM werkingsmechanisme hypothetisch is. Wanneer een metaalion, zoals zink in een molecuul is ingebouwd, betekent het niet dat dit snel als regulerende factor van fysiologie vrij kan komen [130]. Dit hangt af van de bindingsconstante van het enzym met zink. Bovendien, als een zinkafhankelijk enzym snel door zinkionen gereguleerd wordt, met een symptoom van zink deficientie, dan zou dit enzym een sleutelenzym moeten zijn [145]. De zinkconcentratie in het cytoplasma wordt extreem laag gehouden (zie bijlage 1). Metallothioneine heeft een zeer grote bindingsconstante met zink en koper, maar ook met ROS. Metallothioneine echter ook zink gemakkelijk afstaan onder bepaalde omstandigheden. Dit gaat gepaard met een redox reactie, waar het zwavelatoom waar de zink in het metallothioneine aan gebonden is, een rol speelt. Wanneer ROS in de buurt van het metallothioneine komt, zal ROS eraan binden en de zink van metallothioneine losmaken. In het cytoplasma kan ook glutathion een rol spelen bij het losmaken van zinkionen van metallothioneine [141]. Een andere manier van regulatie door zinkionen is door middel van nieuwe of versnelde DNA expressie van het enzym. Dit gebeurt via een zinksensor in het cytoplasma. Vrije zinkionen in het cytoplasma worden gedetekteerd door deze zinksensor. De zinksensor (MTF-1) stimuleert de DNA expressie van metallothioneine en van ZnP, een zinktransporter die zinkionen vervoert uit het cytoplasma naar buiten en naar organellen [145]. Binding van koperionen aan metallothioneine verdrijft zinkionen ervan, welke door de zinksensor waargenomen worden, waardoor meer metallothioneine ontstaat [146]. Ditzelfde effect heeft binding van ROS en van NO aan metallothioneine [146]. Metallothioneine heeft daarom behalve een rol als opslag voor koper en zinkionen, ook een regulerende functie bij het koper en zink metabolisme [146]. In de beschrijving van dit artikel over het TCM werkingsmechanisme wordt deze eigenschappen van metallothioneine toegepast op de beinvloeding van de activiteit van mitochondrien door koper, zink en magnesiumionen. Hierdoor is zowel de energieproductie als de warmteproductie van de mitochondrien afzonderlijk aan te passen aan de wisselende fysiologische behoefte en gedrag.

Hoewel het hier beschreven TCM werkingsmechanisme vol hypotheses is, geeft het een beeld, hoe het zou kunnen zijn in wester-fysiologisch-biochemische termen. Dit geldt voor het begrip meridianen, maar ook met name voor polsdiagnose en speciale kenmerken van acupunctuurpunten op onderarmen en onderbenen. Vooral polsdiagnose maar ook shu transporting punten hebben binnen TCM laten zien door wat ze waard zijn, lange tijd. Het is van belang dat polsdiagnose binnen TCM goed geoefend en toegepast wordt. TCM wordt toegepast in een context van westerse denkwijzen: de client is vaak al bij huisarts geweest en kan medicatie gebruiken. Het is zinvol om te onderzoeken, niet alleen in de praktijk maar ook theoretisch, wanneer beide methoden elkaar tegenwerken, en wanneer beide methoden elkaar aanvullen.


Literatuur.   

[1] Yan X, Zhang X, Liu C, et al (2009). Do acupuncture points exist? Phys.Med.Biol.54(9), pp. 143-150. N143-50. doi:10.1088/0031-9155/54/9/N01. Epub 2009 Apr 8.

[2] Bo S, Milanesio N, Schiavone C, et al. (2011) Magnesium and trace element intake after a lifestyle invention. Nutrition 27, 108-11.

[3] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[4] Zhou HH, Lu F, Chen SD, Zhou ZH, Han YZ, Hu JY. (2011). Effect of electroacupuncture on serum copper, zinc, calcium and magnesium levels in the rats depression. J Tradit Chin Med. Jun; 31 (2), pp. 112-4.

[5] Michos C, Kalfakakou V, Karkabounas S, Kiortsis D, Evangelou A (2010). Changes in copper and zink plasma concentrations during the normal menstrual cycle in women. Gyneacol. Endocrinol. 26(4): pp 250-5.

[6] Dhillon KS, Singh J, Singh Lyall J (2011) A new horizon into the pathobiology, etiology and treatment of migraine. Medical hypotheses 77, 147-151.

[7] Ji LL, Kang C, Zhang Y (2016). Exercise-induced hormesis and skeletal muscle health. Free Radical Biology and medicine. http://dx.doi.org/10.2016/j.freeradbiomed.2016.02.025

[8] Merry TL and Ristow M. (2016). Nuclear factor erythroid-derived2-like 2 (NFE2L2) mediates exercise-induced mitochondrial biogenesis and the anti-oxidant response in mice. J Physiol. pp 1-13.

[9] Baynes JW and Dominiczak MH (2012). Medical biochemistry, third edition.ISBN 978-0-323-05371-6, H42.

[10] Torres-Vega A, PLiego-rivero BF, Otero-Ojeda GA et al. (2012). Limbic system pathologies associated with deficiencies and excesses of the trace elements iron, zinc, copper, and selenium. Nutrition Reviews, 70(12): 679-92.

[11] Teng L, Zhang J, Dai M, Wang F, Yang H. 2015. Correlation between traditional chinese medicine symptom patterns and serum concentration of zinc, iron, copper and magnesium in patients with hepatitis B and associated liver cirrhosis. Journal of TCM, 35(5): 546-550.

[12] Chen M, cheng N,Chen Y (1995). The effect of moxibustion on gastric mucosa in rats and its relation to copper, zinc contents in serum. Zhen Ci Yan Jiu, 20(2), 45-7.

[13] Tampa BI, Leon MM and Petreus T (2013). Common trace elements alleviate pain in an experimental mouse model. J of Neuroscience research 91, pp: 554-561.

[14] Grober U, Schmidt J, and Kisters K. (2015). Magnesium in prevention and therapy. Nutrients, 7, 8199-8226.

[15] Zhou Q., Wang D., Xu J, Chi B. (2016). Effect of Tauroursodeoxycholic acid and 4-phenylbutyricc acid in copper and zink in Type 1 diabetes Mice mode. Biol Trace Elem Res 170: 348-56.

[16] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[17] Wen T, Fan X, Li M et al. (2006). Changes of metallothionein 1 and 3 mRNA levels with age in brain of senescence-accelerated mice and the effects of acupuncture. Am J Chin Med 34(3):435-47.

[18] Lucero HA, Kagan, HM (2006). Lysyl oxidase: an oxidative enzyme and effector of cell function. Review. Cell life sci 63,2304-16.

[19] Smith-Mungo L, Kagan H. (1998). Lysyl oxidase priorities, regulation and multiple functions in biology. Matrix biology vol 16/1997/8, 387-98.

[20] Bouillon R, Carmeliet G, Lieben L et al. (2014). Vitamin D and energy homeostasis of mice and men. Nat Rev Endocrinol. 10, 79-87.

[21] Li Y, Par JS, Deng JH et al (2006). Cytochroom c oxidase subunit 4 is essential for assembly and respiration function of the enzyme complex. J Bioenerg Biomembr 38(5-6), 283-91.

[22] Grober U, Schmidt J, Kisters K (2015). Magnesium in prevention and therapy. Nutrients 7(9), 8199-8226.

[23] Mills DA, Schmidt B, Hiser C et al. (2002). Membrane potential-controlled inhibition of cytochrome c oxidase by zinc. Am.soc.for biochem and mol biol. feb. 1-30.

[24] Grattan DR, Kokay IC. (2008). Prolactin: a peleiotropic neuroendocriene hormone. J of Neuroendocrinology.20, 752-63.

[25] Humann-Ziehank E., Menzel A, Roehrig P. et al. (2014). Acute and subacute response of iron, zinc, copper and selenium in pigs experimentally infected with actinobacillus pleuropneumoniae. Metallomics, 6, 1896-79.

[26] Mastorakos G, Pavlatou M, Diamanti-Kandarakis E et al. (2005). Exercise and the stress system. Hormones 4(2): 73-89.

[27] Tang MW, Reedquist KA, Carcia S et al. (2016). The prolactin receptor is expressed in rheumatoid arthritis and psoriatic arthritis synovial tissue and contributes to macrophage activation. Rheumatooy 55: 2248-59.

[28] Du J, Zhu M Bao H et al. (2016). The role of nutrients in protecting mitochondrial function and neurotransmitter signaling: implications for the treatment of depression, PTSD and suicidal behaviors. Crit rev food sci nutr 56(15): 2560-2578.

[29] Fitzgerald P., Dinan TG. (2008). Prolactin and dopamine: what is the connection?, a review article. J of Psychopharmacology 22(2), 12-19.

[30] Wen T, Fan X, Li M et al. (2006). Changes of metallothionein 1 and 3 mRNA levels with age in brain of senescence-accelerated mice and the effects of acupuncture. Am J Chin Med 34(3):435-47.

[31] Magiorani D, Manzella N, et al. (2017). Monoamine oxidases, oxidative stress, and altered mitochondrial dynamics in cardiac ageing. Hindawi Oxidative Medicine and cellular longevity. Article ID 3017947.

[32] Kuner R, Flor H. (2017). Structural plasticity and reorganisation in chronic pain. Nature reviews, neuroscience. www.nature.com/nrn. volume 18

[33] Tan R., (2007) Acupuncture 1,2,3. ISBN 97.809.75.94.1232

[34] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[35]Mathie A., Sutton GL, Clarke CE, Veale EL (2006). Zinc and copper: pharmacological probes and endogenous modulators of neuronal excitability. Pharmacology and therapeutics, 111, 567-583.

[36] Ebihara F, di Marco GS, Juliano MA, Casarine DE (2003). Neurtral endopeptidase expression in mesangial cells. J. Renin Angioten. Aldosteron Syst. 4(4) 228-33.

[37] Huidobro-Toro JP, Lorca RA, Coddou C. (2008). Trace metals in the brain: allosteric modulators of ligand-gated receptor channels, the case of ATP-gated P2X receptors. Eur Biophys J 37, 301-14.

[38] Acuna-Castillo C, coddou c, Bull P. et al. (2007). J of Neurochemistry 101, 17-26.

[39] Coddou C, Acuna-Castillo C, Bull P. (2007). Dissecting the facilitator and inhibitor allosteric metal sites of the p2x4 receptor channel. The j of biological chemistry 282, 51, 36879-886.

[40] Tampa BI, Leon MM and Petreus T (2013). Common trace elements alleviate pain in an experimental mouse model. J of Neuroscience research 91, pp: 554-561.

[41] Siliburska J. Bogdanski P., Jakabowski H. (2014). The influence of selected anti hypertensive drugs on zinc, copper and iron status in spontaneously hypertensive rats. Eur. J. Pharmocol. http://dx.doiorg/10.1016/j.ejphar2014.06.uc.

[42] Humann-Ziehank E., Menzel A, Roehrig P.et al. (2014). Acute and subacute response of iron, zinc, copper and seleniumin pigs experimentally infected with actinobacillus pleuropneumoniae. Metallomics, 6, 1896-79.

[43] Danscher G, Jo SM, Varea et al. (2001). Inhibitory zinc-enriched terminals in mouse spinal cord. Neuroscience 105(4), 941-7.

[44] Da Silva MD, Bobinski F, Sato KL at al. (2015). IL-10 cytokine released from M2 macrophages is crucial for analgesic and anti-inflammatory affects of acupuncture in a model of inflammatory muscle pain. Mol Neurobiol 51: 19-31. (Acupunctuur laat op afstand bij plaats van ontsteking M1/M2 afnemen.

[45] Cortese-Krott MM, Kulakov L, Oplander C, et al (2014). Zinc regulates iNOS-derived nitric oxide formation in endothelial cells. Redox Biology 2, 945-54. Zinkionen remmen het sleutelenzym NOsynthese, in het proces dat NOradikalen produceert. M1 macrofagen produceren NO om af te schieten op lichaamsvreemde deeltjes, virussen en bacterien.

[46] Stefanelli C, Ferrari F, Rossoni C etal. (1993). Zinc can influence ornithine decarboxylase activity in rat thymuscells. Amino acids (41-2): 53-61. Zinkionen stimuleren de vorming van ornithine (groeihormoon) uitgescheiden door M2 macrofagen, dat weefsel repareert.

[47] Franques J, Gazzola S (2013). Metabolic and nutritional neuropathies, update in diabetes, vitami B12 and copper deficiency. rev. Neurol. (Paris). 169(12): 991-6

[48] Fujie T, Okino S, Yoshida E et al. (2017). copper diethyldithiocarbamate as an inhibitor of tissue plasminogen activator synthesis in cultured human coronary endothelian cells. J of Tox Sciences 42(5), 553-8. Tissue plasminogeen activator bevordert de bloedstolling, door fibrine uit fibrinogeen te maken. De koperverbinding stimuleert fibrinolyse: het bloedstolsel wordt afgebroken. Te hoge fibrinolyse zorgt voor bloedingsneigingen. te lage voor trombose (wikipedia fibrinolyse).

[49] Solmonson A and Mills EM (2016). Uncoupling proteins and the molecular mechanisms of thyroid thermogenesis. Endocrinology, 157(2), 455-62.

[50] McMaster D, McCrum E, Patterson CC. [1992] Serum copper and zinc in random samples of the population of Northern Ireland. Am J. Clin. Nutr 56, 440-6.

[51] Siliburska J. Bogdanski P., Jakabowski H. (2014). The influence of selected anti hypertensive drugs on zinc, copper and iron status in spontaneously hypertensive rats. Eur. J. Pharmocol. http://dx.doiorg/10.1016/j.ejphar2014.06.uc.

[52] Yokoyama K, Araki S, Sato H, and AONO H (2000). Circadian rhythms of seven heavy metals in plasma erythrocytes and urine in men: observation in metal workers, Industrial health, 38, 205-12.

[53] Paus R (2016). Exploring the ''brain-skin connection'': leads and lessons from the hair follicle. current research in translational medicine 64, 207-14.

[54] Maciocia G. (2003). De grondslagen van de Chinese Geneeskunde. SATAS NV Brussel, Belgie, ISBN 872930809.

[55] Andersen LF et al. (1987). Micturation pattern in hyperthyroidism and hypothyroidism. Urology 29(2): 223-7.

[56] Krezel A, Maret W. (2017). The functions of metamorphic metallothioneins in zink and copper metabolism. Int J of Molec Sciences. 18, 1237 doi: 10.3390ijms18061237.

[57]Fahien LA, Kmiotek GH, Wolegiorgis G et al (1985). Regulation of aminotransferase glutamate dehydrogenase interactions by carbamyl phosphate synthase, mg plus leucine versus citrate and malate. J. Of Biol Chem 260(10, 6069-79.

[58] Matsumoto Kiiko, Euler D. (2002). Kiiko Matsumoto’s clinical strategies. In the spirit of master Nagano, vol.1. ISBN 0-97196695-0-7

[59] Odashima M, Otaka M, Jin M. et al. (2002). Indction of 72-kDa heat shock protein in cultured rat gastric mucosal cells and rat gastric mucosa by zinc-L carnosine. Dig.Dis Sci 47(12), pp: 2799-804.

[60] Kirchoff P, Sacrates T, Sidani S et all. (2011). Zinc salts provide a novel prolonged and rapid inhibition of gastric acid secretion. Am. J. Gastro.enterol. 106(1): pp: 62-70.

[61] Michos C, Kalfakakou V, Karkabounas S, Kiortsis D, Evangelou A (2010). Changes in copper and zink plasma concentrations during the normal menstrual cycle in women. Gyneacol. Endocrinol. 26(4): pp 250-5.

[62]. Dhillon KS, Singh J, Singh Lyall J (2011) A new horizon into the pathobiology, etiology and treatment of migraine. Medical hypotheses 77, 147-151.

[63] Baltaci AK, Nogulkoc R, Belvuanli M (2013). Serum levels of calcium, selenium, magnesium, phsphorus, chromium, copper and iron, their relation to zinc in rats with induced hypothyroidism. Acta Clin Croat. 52(2) 151-6.

[64] Descalzi G, Ikegami D, Ushijima T et al. (2015). Epigenetic mechanisms of chronic pain. Trends neurosci. 38(4), 237-46.

[65] Samsel A, Seneff S (2013). Glyphosate, pathways to modern diseases II: celiac sprue and gluten intolerance. interdiscip toxicol 6(4): 159-84.

[66] Walsh S, King E. (2008). Pulse diagnosis, a clinical guide. Churchill livingstone, elsevier. IABN 13: 978-0-443-10248-6

[67] Deng T (1999). Practical diagnosis in Traditional Chinese Medicine. Elsevier Chrchill livingstone, ISBN 987-0-443-04582-0

[68] Martens, G. (2009). Ling shu. Spirituele ontsluiting. 978-90-8666-081-0, 344. Vertaling van: Huang Di Nei Jing. (a) en (b) zijn vertalingen van (Engelse vertaling van): (rond 200 B.C.) Inner canon of the Yellow Emperor: Suwen (Basic questions) and Ling Shu (Spiritual pivot).

[69] Zhang D, Jin T, Xu Y et al. (2012). Diurnal and sex-related difference of metallothionein expression in mice. J of Circ Rhythms 10:2.

[70] https://encyclopedie.medicinfo.nl/vitamine-a-tekort

[71] Odashima M, Otaka M, Jin M. et al. (2002). Indction of 72-kDa heat shock protein in cultured rat gastric mucosal cells and rat gastric mucosa by zinc-L carnosine. Dig.Dis Sci 47(12), pp: 2799-804.

[72] Kirchoff P, Sacrates T, Sidani S et all. (2011). Zinc salts provide a novel prolonged and rapid inhibition of gastric acid secretion. Am. J. Gastro.enterol. 106(1): pp: 62-70.

[73] Wolonicioj M, Milewska E, Roszkowska-Jakimiec W. (2016). Trace elements as an activator of antioxidant enzymes. Postep Hig Med Dosw. 31, 70(0): 1483-98.

[74]  Rojas-Vega L, Gama G (2016). Mini-review: regulation of the renal NaCl cotransporter by hormones. Am J Physiol Renal Physiol 310, F10-F14. 160.

[75] Deachapunya C, Poonyachoti S, Krishnamra N (2012). Site-specific regulation of ion transport by prolactin in rat colon epithelium. Am J Physiol Gastrointest Liver Physiol. 302, G1199-G1206.

[76] Meeker JD, Rossano MG, Protas B et al. (2009). Multiple metals predict prolactin and thyrotropin levels in men. Environ res 109(7): 869-73.

[77] Marchetti C. (2014) Interaction of metal ions with neurothransmitter receptors and potential role in neurodiseases. Biometals 27: 1097-1113.

[78] Lisman, J. Grace AA, Duzel E. (2011). A neoHebbian framework for episodic momory: role of dopamine-dependent late LTP. Trends Neurosci. 34(10) 536-47.

[79] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[80] Zhoa ZY, Touitou Y. (1993). Response of rat pineal melatonin to calcium, magnesium, and lithium is circadian stage dependent. J. Pineal Res. 14: 73-77.

[81] Pinter TB, Stillman MJ (2014). The zinc balance: competitive zinc metalation of carbonic anhydrase and metallothionein 1A. Biochme 53(39), 6276-85.

[82] Henritte JC, Verdeaux G et al. (1977). Relationship between blood zinc level and EEG change under the influence of hyperpnea in normal subjects. Encephale 3(2): 155-64.

[83] Zofkava I, Nemcikova P and Matucha P. (2013). Trace elements and bone health.

[84] Zang L, Li J, Hao L et al. (2013). Crosstalk between dopamine receptors and the Na+/K+ ATPase (review). Molec med Reports 8, 1291-99.

[85] Birinyi A, Parker K, Antal M et al. (2001). Zinc colocates with GABA and glycine in synapses in the lamprey spinal cord. J. Comp.Neural 433(2): 208-21.

[86] Nishisawa Y, Morii H. Durlach J. (2007) New perspectives in magnesium research. Nutrition and health. ISBN 9781846283888. Springer.

[87] Torshin, IY, Gromova OA (2009). Magnesium and pyridoxine: fundamental studies and clinical practive. Nova Science publishers, Inc, New York. 2009017715.

[88] Parmar P, Limson J, Nyokong T, Daya S (2002). Melatonin Protects against copper mediated free radical damage. Journal of Pineal Research 32 (4), pp. 237-42.

[89 Li ZR, Shen MH, Niu WM (2008). Involvement of melatonin in the adjusting effect of electroacupuncture in resisting oxygen stress in cerebral ischemia reperfusion injuri rats. Chinese magazine: Zhen Ci Yan Jiu. 33 (3): pp. 164-8.

[90] Naeem m, Parvez S (2014). Role of melatonin in traumatic brain injuri and spinal cord injury. Scientific world jounal epub dec 21.

[91] Bastos P, Gomes T, Ribeiro L. (2017). Catechol-O-Methyltransferase (COMT): an update on its role in cancer, neurological and cardiovascular diseases. In: Reviews of physiology, biochemistry and pharmacology, 173. springer. Editors: Nilius, Tombe, Gudermann, Jahn, Lill, Petersen ISBN 978-3-319-61366-6, 7-39.

[92] Kuznetsova SS, Azarkina NV, Vygodina TV et al. (2005). Zinc ions as cytochrome c oxidase inhibitors: two sites of action. Biochemistry (Moscow). 70(2) 128-136.

[93] Rahman K, Rahman F, Rahman T. (2009). Dopamine-beta hydroxylase, its cofactors and other biochemical parameters in the serum of neurological patients in Bangladesh. Int J of Biomed Sc. 5(4). 395-401.

[94] Rahman MT, Haque N, Hayaty N et al. (2017). Origin, function and fate of metallothionein in Human blood. In: Reviews of physiology, biochemistry and pharmacology, 173. springer. Editors: Nilius, Tombe, Gudermann, Jahn, Lill, Petersen ISBN 978-3-319-61366-6, 41-62.

[95] Dieen van JH, Flor H, Hodges PW (2017). Low-Back pain pateints learn to adapt motor behavior with adverse secondary consequences. Exerc. Sport sci rev. 45(4) : 223-9.

[96]  Frausto da Silva J, Williams R The biological chemistry of the elements. The inorganic chemistry of life, 2nd edition 2001 Oxford univ.press. New York. ISBN 0 19 850847.

[97] Rodrigues GS, Godinho RO, Kiyomoto BH et al. (2016). Integrated analysis of the involvement of NO synthesis in mitochondrial proliferation, mitochondrial deficiency and apoptosis in skeletal muscel fibres. Scientific reports [6:20780 DOI 10.1038/srep20780 . NO kan fibrosis (littekenvorming) afremmen. M1 macrofagen vuren NO, wat het litteken mogelijk kan verzachten.

[98] Read SA, Parnel O, Booth D, Douglas MW, George J, Ahlenstiel G. (2018). The antiviral role of zinc and metallothioneins in hepatitis C infection. . Viral Hepat. 25(5): 491-501.

[99] Sato M, Yamaki , Oguro T et al. (1996). Metallothionein synthesis induced by interferon alpha/beta in mice of various zinc status. Tohoku Exp Med, 178(3): 241-50.

[100] Prins JM, Fu L, Guo L Wang Y. (2014). Cd2+ induced alteration of the global proteome of huma skin fibroblast cells. J of proteome research. 13, 1677-87.

[101] Hanada K, Sawamura D, Nakano H and Hashimoto I (1995). Possible role of 1,25-dihydroxyvitamin D3-induced metallothionein in photoprotection against UVB injuri in mouse skin and cultured rat keratinocytes. J of dematological science 9, 203-8.

[102] Mittag J, Behrends T, Nordstroem K et al. (2012). Serum copper as a novel biomarker for resistance to thyroid hormone. Biochem. J. 443, 103-9.

[103] Weitzel JM, Iwen KA (2011). Coordination of mitochondrial biogenesis by thyroid hormone. Melecular and Cellular Endocrinology 342 1-7.

[104] Wilson DF, Vinogradov SA (2014). Mitochondrial cytochrome c oxidase: mechanisme of action and role in regulating oxidative phosphorylaton. J Appl Physiol. 117: 1431-9.

[105] Zhang L, Yu C, Vasquez FE et al (2010) Hyperglycemia alters the schwann cell mitochondrial proteome and decreases couples respiration in the absence of superoxide production. J proteome res. 9(1): 458-71.

[106]  Koning HM, Van Roon E, Zuurmond WWA (2002). Chronische pijn en de NMDA receptor. Ned. Tijdschrift voor neurologie. Neurofarmacologie, nr 6, 481-6.

[107] Toume E, Tsuda M, Khakh BS, K Inoue.(2016). Chapter 10 On the role of ATP-gated P2X receptors in acute, inflammatory and neuropathic pain.

[108] Trang T, Salter MW (2012). P2x4 purinoceptor signaling in chronic pain. Purinerge signaling, 8: 621-8.

[109] Burnstock G. (2009). Acupuncture: a novel hypothesis or the involvement of purinergic signalling. Medical Hypotheses 73: 470-472.

[110] Tu W, Cheng R, Cheng B et al. (2012). Analgesic effect of electroacupuncture on chronic neuropathic pain mediated by P2X3 receptors in rat dorsal root ganglion neurons. Neurochemistry international 60, 379-386.

[111]  Huidobro-Toro JP, Lorca RA, Coddou C. (2008). Trace metals in the brain: allosteric modulators of ligand-gated receptor channels, the case of ATP-gated P2X receptors. Eur Biophys J 37, 301- 14.

[112] Shi H. Norman AW, Okamura WH et al. (2002). 1alfa,25-dihydroxyvitamin D3 inhibits uncoupling protein 2 expression in human adipocytes. 10.1096/fj.02-0255fje FASEB journal. December. Ook staat het in Bouillon R, Carmeliet G, Lieben L et al. (2014). Vitamin D and energy homeostasis of mice and men. Nat Rev Endocrinol. 10, 79-87.

[113] Lisman, J. Grace AA, Duzel E. (2011). A neoHebbian framework for episodic memory: role of dopamine-dependent late LTP. Trends Neurosci. 34(10) 536-47.

[114] Barrea L, Di Somma CD, Muscogiuri G et al. (2017). Nutrition, inflammation and liver-spleen axis. Critical Revieuws in food science and nutrition. http://www.tandfonline.com/loi/bfsn20.

[115] Sajik M, Mastrolla V, Lee CY et al (2013). Impulse conduction increases mitochondrial transport in adult mammalian peripheral nerves in vivo.  Plos Biology, 11, e1001754.

[116] Atri C, Guerfali FZ, Laouini D. (2018). Role of human macrophage polarization in inflammation during infectious diseases. International Journal of molecular sciences. 19, 1801; doi:10.3390/ijms19061801

[117] da Silva MD, Bobinski F, Sato KL et al. (2014). IL10 cytokine released from M2 macrophages is crucial for analgesic and anti-inflammatory effects of acupuncture in a model of inflammatory muscle pain. Mol Neurobiol. doi 10.1007/s12035-014-8790-x

[118] Schaefer E, Wu W, Mark C et al. (2017). Intermittent hypoxia is a proimflammatory stimulus resulting in IL-6 expression and M1 macrophage polarization. Hep comm. 1,(4), 326-37.

[119] Faulknor RA, Olekson MA Ekwueme EC et al (2017). Hypoxia impaires mesenchymal stromal cell-induced macrophage m1 to m2 transition. Tencnol. (Singap world sci) 5(2): 81-86. doi: 10.1142/s2339547817500042

[120] Chylikova J, Dvorackova J, auber Z et al. (2018). M1/M2 macrophage polarization in human obese adipose tissue. Biomed pap med fac univ pal. ol. czech rep. 162(2): 79-82.

[121] O'Dell BL, Browning JD (2013). Impaired calcium entry into cells is associated with pathological signs of zinc deficiency.Am Seco for Nutr. Av. Nutr. 4: 287-293.

[122] Bouron A, Oberwinkler J (2014). Contribution of calcium-conducting channels t the transport of zinc ions. Pflugers Arch – Eur j Physiol. 466:381-87.

[123] Sung GJ, Medvedeva YV, Wang HL, Yin HZ, Weiss JH (2018). Motochondrial zn2+ accumulation: a potential trigger of hippocampal ischemic injury. The neuroscientist, 1-12.

[124] Clausen A, McClanahan T, Sung GJ, Weiss JH (2013). Mechanisms of rapid reactive oxygen species generation in response to cytosolic ca2+ or zn2+ loads in cortical neurons. Plos one 8(12) e83347.

[125]  Wijmenga C, Klomp LWJ (). Molecular regulation of copper excretion in the liver. Proc of the nutrition society 63, 31-39.

[126] Pathak T, Trebak M. (2018). Mitochondrial ca2+signaling. Phamacology and Terhapeutics. https: //doi.org10.1016/j.parmatera.2018.07.001.

[127] Tepikin AV (2018). Mitochondrial junctions with cellular organelles: ca2+ signaling perspective. Eur J of Physiology 470: 1181-92.

[128] Tiokani L, Nagashima S, Paupe V and Prudent J (2018). Mitochondrial dynamics: overview of molecular mechanisms. Essays in biochemistry 62:341-60.

[129] Bliek van der, AM. Sedensky MM, Morgan PG. (2017). Cell biology of the mitochondrion. Genetics cell and organelle biology.

[130] Colvin RA, Holmes WR, Pontaine CP and Maret W (2010). Cytosolic zinc buffering and muffling: their role in intracelular zinc homeostasis. Metallomics 2, 306-317.

[131] Williams RJP (2002). The fundamental nature of life as a chemical system: the part played by inorganic elements. J of Inorg. Biochem. 88, 241-250.

[132] Williams RJP (2007). System biology of evolution: the involvement of metal ions. Biometal 20 107-112.

[133] Maret W (2017). Zinc in cellular regulation: the nature and significance of zinc signals. Int J of Mol. Sci. 18,2285.

[134] Chang jY, Shi L, Ko M et al. (). circadian regualtion of mitochondrial dynamics in retinal photoreceptors. J of biol rhythms, 33(2) 151-165.

[135] Tan D, Manchester LC, Qin L, Reiter RJ. (2016). Melatonin: a mitochondrial targeting molecule involving mitochondrial protection and dynamics. Int J of Mol sci , 17, 2124.

[136] Feske S, Wulff H, Skolnik E (2015). Ion channels in innate and adaptive immunity. Annu rev immunol 33,291-353.

[137] Hartmann C, Radermacher P, Wepler M and Nussbaum B (2017). Non-hemodynamic effects of catecholamines. Shock, 48(4), 390-400.

[138] Goede de P., Wefers J, Brombacher EC et al (2018). Circadian rhythms in mitochondrial respiration. J of Mol Endocrin 60, R115-R130.

[139] Williams RJP, Frausto da Silva JJR (2003). Evoluation was chemically contstrained. J. Theor. Biol. 220,323-343.

[140] Maret W (2004). Zinc and sulfur: a critical biological partnership. Biochemistry 43(12).

[141] Maret W, Jacob C, Vallee BL et al. (1999). Inhibitory sites in enzymes: zinc removal and reactivation by thionein. Proc. Natl. Acad. Sci USA, 96, pp 1936-40.

[142] Lomelino CL, Supuran CT, McKenna R (2016). Non-classical inhibition of carbonic anhydrase. In J of MolSci. 17(1150).

[143] Bousleiman J, Pinsky A, et al. (2017). Function of metallothionein-3 in neuronal cells: do metal ions alter expressions levels of MT-3? Int J of Mol Sci., 18(1130).

[144] Kotani M, et al. (2013). Magnesium and calcium deficiencies additively increase zinc concentrations and metallothionein expression in the rat liver. Br J Nutr.

[145] King JC (2011). Zinc: an essential but elusive nutrient. Am J Clin Nutr 94: 679s-84s

[146] Krezel A and Maret  W (2017). The functions of metamorphic metallothioneins in zink and copper metabolism.

[147] Cruz KJX, Oliveira de, ARS et al. (2015). Antioxidant role of zinc in diabetes melitus. World j of diabetes 6(2).

[148] Salin K, Auer SK, Rudolf AM et al (2015). Individuals with higher metabolic rates have lower levels of reactive oxygen species in vivo. Biol. letters 1120150538.

[149] Yoboue ED, Sitia R, Simmen T (2018). Redox crosstalk at endopasmic reticulum (ER) membrane contact sites (MCS) uses toxic watse to deliver messages. Cell death eand disease, 9 ,33.

[150] Piquereau J, Moulin M, Zurlo G et al. (2016). Cobalamin and folate protect mitochyondrial and contractile functions in a murine model of cardiac pressure overload. J of Mol and cell cardiology, 10, 0022-2828.

[151] Gherasim C, Lofgren M, Benerjee R. (2013). Navigating the B12 Road: assimilation, delivery, and disorders of cobalamin. J of Biol chem 288,19,13186-13191.

[152] Heim AB, Chung D, Florant GL, Chicco AL (2017). Tissue-specific seasonal changes in mitochondrial function of a mammalian hibernator. Am J physiol Regul Integr Comp PHysiol 313: R180-R190.

[153] Zhao H, Rubru K, Hongyin L and Garner B (2014). Prturbation of neuronal cobalamin transport by lysosomal enzyme inhibition. Biosci rep. 34.

[154] Ristow WM, Schmeisser S. (2011). Extending life span by increasing oxidative stress. Free rad. Boil and med. 51, 327-36.

[155] Finley LWS, Haigis MC. (2009). The coordination of nuclear and mitochondrial communication during aging and calorie restriction. Ageing Res Rev 8(3): 173-88.

[156] Chandel NS, Budinger GSR (2007). The cellular basis for diverse responses to oxygen. Free radical biology and medicine 42, 165-174.

[157] Cerri M, Luppi M, Tupone D et al (2017). REM sleep and endothermy: potential sites and mechanism of a reciprocal interference. Frontiers in physiology, 8 , 624.

[158] Koban M, Swinson KL (2005). Chronic REM-sleep deprivation of rats elevates metabolic rate and increases UCP1 gene expression in brown adipose tissue. Am J Physiol. Endocrinol Metab 289: E68-E74.

[159] Dralle D, Bodeker RH (1980). Serum magnesium level and sleepbehavior of newborn infants. Eur J pediatr. 134(2): 239-43.

[160] Swick AG et al. (1988). Changes in GDP binding to brown adipose tissue mitochondria and the uncoupling protein. Am J Physio. 255, E865-70.

[161] Mills EL, Kelly B, O'Neil LAJ (2017). Mitochondria are the powerhouses of immunity. Nature immunology, 18(5), 488-98. T memory cellen: fusion, supercomplexen bij oxidatieve fosforylering: samenhang met afstemming cu en mg gedurende de REM slaap, als er ook geen ontkoppeling is? T effector cellen: fission. ROS heeft bij macrofagen M1 belangrijke functie voor productie van NO, en stuurt belangrijke biochemische routes van het native en adaptive immuunsysteem aan. Dit artikel: Zink komt vrij als ROS bindt aan metallothioneine en zink vrijmaakt. fzink remt aconitase, wat een rol speelt bij een biochemische route van het immuunsyteem. Ook toename van citraat (zinkionen remmen aconitase) wat een rol heeft in het immuunsysteem.

162] Picard M, McEwen BS. (2018). Psychological stress and mitochondria: a conceptual framework. Psychosomitic medicine 80, 126-140.     Chronische biologische stress of acute stress geeft recalibratie van mitochondrien: verandering van structuur en functie. Mitchondrien hebben een signalerende functie: hiermee invloed op epigenetica en genetische expressie. Verband met ziekte risico en veroudering. Hoge bloedsuiker enlipiden concentratie, cannabinoids, angiotensine, oestrogeen en glucocorticoiden beinvloeden fusion / fission van mitochondrien. Steroid hormonen wprden gereguleerd en geproduceerd binnen mitochondrien. Stress, teveel fo teweinig cortisol of adrenaline of verlengde tijd van ontstekking heeft effect of mitochondrien. Exercise training geven toename van mitochondriele functie. mtDNA invloed op krompen van hippocammpus in hersenen, chronische depressie, post traumatische stress. Hierdoor kans op toename van ROS in de mitochondrien en ontstekingsreactie. Amygdala wordt groter. Invloed op prefrontale cortex.

[163] Monpays C. Deslauriers, Sarret P, Grignon S. (2016). JMitochondrial dysfunction in schizophrenia: determination of mitochonedrial respiratory activity in a two-hit mouse model. J.Mo.Neurosci. 59 440-451. Toename van complex 1 van de oxidatieve fosforylering in de mitochondrien. Bij mannen ook toename van complex 2.


Bijlage 1: Koper- en zinkionen in de evolutie [96,131,133,139]

Hoe in de evolutie koper- en zinkionen werden betrokken in het celmetabolisme, geeft een indruk van hun bijdrage aan de cel, en met name aan de extracellulaire activiteiten, zoals bij hormonen, neurotransmitters, en de regulatie van bindweefsel. Koper- en zinkionen zijn gedurende een verschillende periode in de evolutie in het organisme terecht gekomen [96]. In de meest primitieve eencelligen waren echter nog nauwelijks zink- en koperionen aanwezig. In het cytoplasma worden uit kleine moleculen,  zoals H2S, NH3, CO, HCl, H2S ketens van moleculen gemaakt: proteines (keten aminozuren), saccharose (keten suikermoleculen) en DNA (keten van nucleotiden). Dit vindt plaats d.m.v. reductie, een chemische reactie die energie nodig heeft [131]. IJzerionen worden hierbij als katalysator gebruikt [131]. Energierijke fosfaatverbindingen (thioesthers of gebonden fosfaat zoals ATP) worden de energieleveranciers. (C,H,N,O,P,S). Magnesiumionen worden gebruikt om ATP te stabiliseren [131]. In de meest primitieve eencelligen leken de onderlinge concentratie verhoudingen van ionen Na CL Mg Ca op die in de zee. Wel was de hoeveelheid veel lager, ter voorkomen van een te grote osmotische druk. Zie figuur 8. Natrium, kalium en calciumionen reageren niet met organische moleculen, maar hebben wel een invloed op de osmotische druk. Natrium en Chloorionen worden relatief buiten de cel gehouden. Ook calciumionen werden relatief uit het cytoplasma geweerd, omdat anders een neerslag in het cytoplasma zou ontstaat van calcium gebonden aan organische moleculen. Kaliumionen blijven relatief in de cel, omdat de meeste organische moleculen in de cel anions zijn bij PH=7. Op gegeven moment komt calcium meer in beeld in het cytoplasma, als er meer compartimenten in het cytoplasma ontstaan. Dit is calcium als boodschappermolecuul, second messenger, voor de communicatie tussen de compartimenten en de omgeving van de cel.

In het begin waren zink en koperionen weinig in oplosbare vorm in de zee aanwezig, omdat zij aan sulfide gebonden waren. Zink en koper kwamen dus zeer zeer weinig voor in het cytoplasma. De cel was gereduceerd ten opzichte van de omgeving, de zee. In de cel werd het zwavelatoom uit H2S ingebouwd in een organisch molecuul, door middel van reductie.

Tijdens de evolutie kwam er steeds meer zuurstof in de atmosfeer. De cel werd steeds reductief en de zee steeds oxidatief. Mogelijk werd in de zee, H2O tot H2 en zuurstof omgezet, met behulp van zonlicht en ijzerzouten, een oxidatieve reactie [131]. Door de zuurstof werden zinksulfide en kopersulfide in de zee omgezet in het meer oplosbare zinkoxide en koperoxide [131]. Zink- en koperionen waren echter toxisch voor het cytoplasma (omdat zij een binding aangaan met organische moleculen), en om hun concentratie minimaal te houden, loste de cel dit op door compartimenten in het cytosol te laten ontstaan, deels door endosymbiose.

Zinkionen werden gebruikt in de periode dat multicellulaire organismen ontstonden met een spijsverteringskanaal (en immuunsysteem om met het voedsel meegekomen toxische onderdelen te verwijderen). Koperionen kwamen in het organisme terecht in de periode dat de multicellulaire organismen zich begonnen te bewegen [96].


Figuur 8: (a) Vrije ionconcentratie in cytoplasma van de primitieve cel: deze concentratie blijft gedurende de evolutie vrij constant. (b) Concentratie van vrije ionen in de zee, zwarte stip: zeer lang geleden, witte stip: recenter. ''Recenter'' is steeds meer zuurstof (afgegeven door prokaryoten) in de atmosfeer gekomen, wat koperionen en zinkionen vrijmaakte. Dit is in sedimenten gevonden. "Lang geleden" waren koperionen en zinkionen gebonden aan sulfides, onoplosbaar en waren daarom niet beschikbaar als vrije ionen in het zeewater. De vrijgekomen zuurstof in latere tijden verbrak de binding van sulfides met deze metaalionen [132]. Het verschil tussen zink en koperionen is dat koperionen een hogere bindingsaffiniteit hebben, zodat de zinkionen in een eerdere periode vrijkwamen dan de koperionen. (Electronegativiteit van zinkionen 1.65 en van koperionen 1.90 op de schaal van Pauling).

In een vroege fase werd zink zeer stabiel ingebouwd in proteinen zoals carboxypeptidase en carbonzic anhydrase. In een latere fase, in eukaryoten, werd de zink meer flexibel, reversibel gebonden aan metallothioneine en zinkfingers, zinkpompen, welke gelinkt zijn met groeihormonen [132]. Zinkdeficientie kan een langzamere groei van het organisme veroorzaken.

In het cytoplasma wordt de concentratie vrije zinkionen en vrije koperionen zeer laag gehouden, omdat deze metalen gemakkelijk binden aan organische moleculen en daarmee de chemie verstoren [131]. De cel loste dit op door compartimenten te krijgen, waarin de zink en koperionen werden opgeslagen/ reacties met de koperionen plaatsvinden [131]. In de compartimenten vonden relatief oxiderende reacties plaats, waarbij zink- en koperionen een rol kunnen spelen als catalysator. Deze reacties vinden bijvoorbeeld plaats in het golgiapparaat, waar het koperion in een eiwit wordt ingebouwd. In de celkern vindt DNA aflezing plaats waar zinkfingers een rol bij spelen. Voor de communicatie tussen de celcompartimenten en het cytoplasma zijn communicatiemiddelen nodig. Een ervan is calciumionen: worden kortdurende piekconcentraties van calciumionen gebruikt als communicatiemiddel [131]. Als er een hormoon op de receptor aan de buitenkant van de celmembraan arriveert, wordt intracellulair calcium vrijgemaakt.

In multicellulaire eukaryoten spelen zink- en koperionen een rol bij enzymen die een extracellulaire functie hebben. Zinkionen zijn betrokken bij hormoonproductie en bij de productie van neurotransmitters [131]. Hormonen en de (voor nog efficientere communicatie) neurotransmitters functioneren in de extracellulaire ruimte. Spieren en zintuigen, en hersenen verzorgen bij de hogere diersoorten de meest efficiente communicatie op afstand [131]. De natrium- en chloor ionen die voorheen vanwege osmotische druk buiten de cel werden gehouden, opgeslagen in de extracellulaire vloeistof, krijgen nu een rol bij de introductie van dit fysische proces, de electrochemische depolarisatie, een zeer snel communicatiesysteem [131].

Terwijl het cytoplasma reducerend is, vinden in de celcompertimenten oxidatieve reacties plaats, m.b.v. koperionen. Zinkionen zijn betrokken bij hydrolyse [131]. Vaak zijn koper en zinkionen betrokken bij processen in de compartimenten of in de extracellulaire ruimte, zoals de matrix van het bindweefsel. Bij dieren vindt bij groei continu afbraak en herstel van bindweefsel plaats [131]. Koperionen spelen een rol bij de vorming van binding tussen in het collagene weefsel, bij herstel van het bindweefsel en zinkionen (proteasen, die ook een rol spelen bij de vertering) spelen een rol bij afbraak van bindweefsel [131].

Een van de  compartimenten in de cel, het mitochondrium speelt een centrale rol in de cel. Behalve dat deze verantwoordelijk is voor de grootste hoeveelheid energie in de cel, is het mitochondrium in balans met de vorming van de bouwstoffen: koolhydraten, vetten en aminozuren. Er is een intensieve feedback en feedforward tussen deze vorming van bouwstoffen en energieproductie door de mitochondria. Zoals gebruikt in het werkingsmechanisme van TCM in dit artikel spelen koper-, en zinkionen ook een centrale rol in de regulatie van mitochondrien.

In dit TCM artikel is uitgegaan van een aantal wetmatigheden tussen zink, koper en magnesium regulatie van mitochondrien, en de daarmee samenhangende regulatie van zink en koper via andere compartimenten in het cytoplasma, zoals de vorming van het koperafhankelijke lysyl oxidase en de zink afhankelijke protease, die beiden een rol spelen in het bindweefsel. Eerst wordt in bijlage 2 en 3 dieper ingegaan op mitochondrien, vervolgens in bijlage 4 op een aantal andere functies van zink in detail. In bijlage 6 wordt geprobeert een link te leggen tussen de ionregulatie van het mitochondrium en de andere compartimenten zoals in het TCM artikel toegepast in de beschrijving van het ontstaan van de polsdiagnose. In de volgende bijlagen wordt er verder op mitochondrien ingegaan.


                                          

Figuur 9: Mitochondria spelen een centrale rol in het metabolisme, niet alleen via de vorming van ATP, maar ook in de vorming van koolhydraten, vetten en aminozuren. Beide processen dienen op elkaar afgestemd te zijn. Deze chemische reacties dienen met elkaar in balans te zijn, wat gebeurt via allerlei feedback en forward mechanismen. Mitochondrien nemen deel aan deze regulatie. Zowel de organische moleculen als de metaalionen (metalloom, anorganische elementen) spelen er waarschijnlijk een op elkaar afgestemde rol in [131]. (a) glycolyse uit koolhydraten. (b) citroenzuurcyclus. 1-5: de vijf complexen van de oxidatieve fosforylering.


Bijlage 2: Mitochondrien, fusion en fission [126]. Rol van metallothioneine in twee gebruikte hypothesen.

Mitochondrien worden continu aangemaakt en afgebroken, via fission (splitsing) en fusion (samensmeltings) processen. Deze processen zijn complex, en ondergaan diverse regulaties, afhankelijk van fysiologische processen, temperatuur, redox gehalte en afhankelijke van de beschikbare hoeveelheid nutrienten. Fission hoort bij mitochondriele kwaliteitscontrole. Fission leidt tot vele kleine ronde mitochondrien en treedt op bij verhoogde stress en celdood, maar ook als het belangrijk is dat mitochondrien beweeglijk zijn, naar gebieden die veel energie nodig hebben, bijvoorbeeld in de axonen van neuronen.

Bij fusion ontstaan netwerken van verlengde mitochondrien. Bij fusion is er een snellere mitochondriele ademhaling (oxidatieve fosforylering), en toename van membraanpoteintiaal van mitochondrien [138]. Knockout van complex 4 geeft relatief meer fusion (waardoor efficientere ATP vorming) [129]. Fusion komt voor bij bijvoorbeeld een gebrek aan nutrienten bij overlevings mechanismen [138]. Een gebrek aan nutrienten geeft een laag nivo aan cellulaire stress ((ROS)) [138]. Gemeten is dat ontstekingsprocessen gepaard gaan met degradatie van fusion proteines [].

Fission. Bij fission neemt het ER waar hoeveel ROS er aanwezig is bij het aangehechte mitochondrium [127]. Bij fission van de binnenste membraan van het mitochondrium vertrekken calciumionen (en zink) vanuit ER naar het mitochondrium [128]. Als relatief veel calcium de mitochondrium binnenkomt is er een afname in mitochondrieel membraan potentiaal, wat leidt tot de activatie van OMA1 en toename van fission [128].  Bij fission wentelt ER zich om het mitochondrium op de locatie waar de fission plaatsvindt. Overproductie van ROS correleert met fission [134]. Fission is een proces dat delen van een mitochondrium zonder membraanpotentiaal (met o.a. complex 4 met koperionen) kan verwijderen. Metallothioneine dat zich behalve in het cytoplasma ook tussen de binnen- en buitenmembraan van het mitochondrium bevindt [130], kan het koperion (afkomstig van de te verwijderen complex 4) oppakken (koper bindt sterker dan zink aan MT, metallothioneine) en naar het cytoplasma (en via het cytoplasma naar andere compartimenten) brengen. Een andere optie is mogelijk, dat binnen lysosomen eerst delen van het mitochondrium afgebroken wordt, waarna de vrijgekomen koperionen door MT worden gevangen. Binnen lysosomen is metallothioneine gemeten, waaraan koper is gebonden [146]. Metallothioneine in het cytosol heeft vaker zink als gebonden ion[146].

Afname van MT geeft een hoger ROS, waardoor risico op celbeschadigingen vergroot wordt [128]. Calciumionen toename gaat samen met toename van fission [128]. ROS reguleert fission via calcium kanaaltjes en contact tussen endoplasmatisch reticulum en mitochondrien [127].

Fusion is een proces om mitochondrien efficienter te maken. Bij fusion is er een toename van de membraanpotentiaal [138]. Bij fusion spelen OPA1 proteinen een rol (GTPase optic atrophy 1). Fusion (in feite het OPA1 proces) wordt afgeremd door OMA1 (metallo endopeptidase mitochondrial 1) (onder anderen) [129]. OMA1 is een eiwit dat van zinkionen afhankelijk is. Dit zou kunnen betekenen dat zinkionen het fusie proces kunnen remmen, wat past bij het idee dat zinkionen mitochondrien afremmen via complex 3 in het mitochondrium.

Een van de hypotheses, gebruikt in de TCM seizoensafhankelijkheid van het polsbeeld is: een toename van koperionen in het mitochondrium gaat samen met een afname van koperionen in het cytoplasma (gebonden aan MT) beschikbaar voor de andere compartimenten. Ook vice versa: een afname van koper in mitochondrium gaat samen met een toename van koper in het cytosol (hypothese 1).

                                      

            Figuur 10: Biogenese, fusion, fission en fagie van mitochondrien; rol van PGC-1alfa.


Een toepassing van hypothese 2 (zie hierna) kan een factor zijn bij het ontstaan van obesitas. Veel nutrienten in de cel leidt tot een grote opbouw van de mitochondriele membraanpotentiaal. Relatief veel aanvoer van nutrienten in de cel en relatief weinig behoefte aan ATP verbruik, kan vaak optreden in de nazomer op vochtige warme dagen, waarbij zomin mogelijk fysieke arbeid van skeletspieren wordt gedaan. De oogst van fruit in de nazomer geeft voldoende nutrienten. Bij relatief veel aanvoer van nutrienten in de cel, en relatief weinig behoefte aan ATP verbruik, is er risico op teveel ROS vorming in het mitochondrium []. Dit komt, omdat de activiteit van complex 4 bijgestuurd wordt door [ADP]/[ATP], zodat een voldoende hoeveelheid ATP in de cel complex 4 in het mitochondrium afremt. Teveel ROS is ongewenst, omdat ROS het mitochondrium en de cel beschadigd, wat kan leiden tot apoptose. ROS vorming wordt afgeremd door de mitochondriele membraanpotentiaal te laten afnemen. De mitochondriele membraanpotentiaal kan op verschillende manieren afnemen. Een manier is via ontkoppelingseiwitten (UCP).

Een andere manier is via een toename van zinkionen in het mitochondrium: zink remt complex 3 [130], betrokken bij de oxidatieve fosforylering en opbouw van protonengradient, dus membraan potentiaal.

Als de zinkionen de matrix van de mitochondrien binnengaan, zal het de citroenzuurcyclus op een bepaald punt afremmen, zodat citroenzuur het cytoplasma binnentreedt, en daar bijdraagt tot de vorming van lipiden en cholesterol. Op deze wijze kan dit bijdragen aan de toename van vetzuren in het bloed (kans op obesitas).

Hoe ontstaat er een zinktoename in de mitochondrien? Een van de functies van metallothioneine in het cytoplasma is reservoir voor zinkionen [121]. Zinkionen in het cytoplasma stimuleren de vorming van metallothioneine. Door dit mechanisme zal de aanwezigheid van zink in het cytoplasma snel leiden tot een binding van deze zink aan metallothioneine. Het is nodig dat de concentratie zinkionen in het cytoplasma extreem laag blijft (Bijlage 1).

Metallothioneine brengt zink naar de mitochondrien, wat als volgt gaat. MT dringt gemakkelijk door de buitenste membraan van het mitochondrium [130]. In deze ruimte ontstaat het snelst de ROS a.g.v. afremming van de ATP vorming. Omdat ROS sterker bindt aan metallothioneine dan zink, verdrijft ROS de zink van metallothioneine. Zink kan nu tussen de twee membranen van het mitochondrium complex 3 afremmen [130].

Bovendien heeft ROS heeft regulerende invloed op fission, via de calcium kanaaltjes in het ER die contact maken met het mitochondrium [127]. Bij miscommunicatie in het contact tussen ER en het mitochondrium kan dit resulteren in metabolische ziektes, obesitas en type 2 diabetes [126]. Deze ziektes gaan samen met een van vetzuren in het bloed van vetzuren (hyperlipidemia).

Een omgekeerde situatie: nog net voldoende eten, maar voldoende ATP verbruik: Bij een sober dieet is gemeten bij vissen, dat zij een efficient metabolisme hebben (gemeten aan zuurstof consumptie) gecombineerd met weinig ROS [148]. Hier hoeft de oxidatieve fosforylering niet afgeremd te worden.

Wanneer meer zink in de mitochondrien komt, zal er minder zink over blijven voor de andere compartimenten, zoals kern en golgiapparaat om zinkafhankelijke enzymen te produceren. Dit is een van de hypotheses gebruikt in de beschrijving van het seizoensafhankelijke TCM-polsbeeld (hypothese 2).

Magnesium speelt een indirecte modulerende rol op dit effect van zink, omdat magnesium de vorming van metallothioneine afremt [144]. 's Nachts (wordt gesteld) bevinden zich meer magnesium in de cel. Magnesium remt dan de synthese van metallothioneine. Hierdoor zal zink de mitochondrien via MT minder kunnen afremmen (doordat ROS op MT bindt en zink in de mitochondrien laat komen om complex 3 te remmen).

's Nachts treedt fusion van mitochondrien op, waarbij de oxidatieve fosforylering het meest efficient is. 's Nachts zijn herstelprocessen actief. Het is dan niet de bedoeling dat dit herstelproces wordt afgeremd. Overdag wel: fission correleert met overproductie van ROS [134]. Fusion en fission worden beinvloed door de hoeveelheid nutrienten die de cel aangeboden krijgt, ten opzichte van de vraag naar ATP. Overdag treedt meer variatie op in de ontvangst van nutrienten (ontbijt, lunch en diner). Overdag treedt ook variatie op in behoefte aan ATP (fietsen naar het werk, zitten achter buro, etcetera).

Tenslotte is er over hypothese 1 en 2 nog het volgende te zeggen. De lever is een opslagplaats voor koperionen, geeft ceruloplasmine waaraan koperionen gebonden, af aan het bloed, en zal de behoefte aan koperionen vermoedelijk bijstellen, afhankelijk van grote verschillen in weersomstandigheden, zoals zomer en winter. Kleinere aanpassingen, of wanneer er hogere fysiologische eisen aan het lichaam gesteld worden dan passend bij het seizoen, of in het algemeen, zoals het effect van bijvoorbeeld overwerk, of het verschil tussen fysiologie overdag en 's nachts, worden op drie manieren bijgewerkt: Als het effect van de lever niet voldoende is, en de fysiologie meer eist, zal (b.v.) in de winter koperionen van cytoplasma naar mitochondria verhuizen (hypothese 1). Wanneer de vraag naar ATP klein is, vergeleken met de toevoer van nutrienten, zullen zinkionen van het cytoplasma naar de mitochondrien verhuizen (hypothese 2). En wanneer er meer ATP behoefte is, maar minder behoefte aan warmteproductie, zoals in de zomer regelmatig kan gebeuren, zullen er magnesiumionen naar de mitochondria verhuizen. De seizoensvariatie in polsdiagnose weerspiegelt dit in winter versus zomer (hypothese 1), nazomer (hypothese 2) en najaar (zie Figuur 6).

                                

Bijlage 3: Circadiaans ritme in fission en fusion: overdag fission, 's nachts fusion [134].

Het circadiaans ritme wordt instand gehouden door zogenaamde clockgenen: circadian locomotor output cycles kaput, een transcriptiefactor die het circadiaans ritme handhaaft. Twee voorbeelden: Bmal1 Clock. Mutatie van deze genen verandert de dynamiek van mitochondrien. In de retina komen veel mitochondrien voor in de retinale fotoreceptoren [134].

Mitofagie (afbraak van mitochondrien), fission en fusion vertonen een circadiaans ritme. Mitofagie heeft in de retina een piek in de lichtperiode [134], wat te maken kan hebben met het feit dat licht beschadigd. Tijdens de lichtfase is er veel fission proteine DRP1 aanwezig. Tijdens de donkerfase is er veel fusion proteine MFN2 [134] aanwezig.

De retinale fotoreceptoren hebben een hogere metabolische activiteit in het donker (hoger ATP verbruik), waardoor de mitochondriele enzymen meer actief zijn in het donker. Terwijl in het licht, de hogere lichtintensiteit complex 3 remt van de oxidatieve fosforylering. Fission correleert met overproductie van ROS [134]. Tijdens de lichtfase is er veel fission proteine DRP1, en tijdens de donkerfase is er veel fusion proteine MFN2. In de retina wordt in de lichtfase dopamine afgegeven, dat het vrijmaken van melatonine remt [134]. Melatonine accumuleert in de mitochondrien, versterkt fusion, reduceert fission, vangt ROS (stimuleert bovendien genexpressie van anti oxidant enzymen) , remt de mitochondriele permeabiliteits transitie porie (pmtp) en activeert UCP (ontkoppelings eiwitten). Activatie van UCP reduceert de ROS vorming. Melatonine geeft daarom een toename van efficientie van ATP vorming (bescherming van complex 1 en 4) [135]: UCP toename door melatonine laat ATP dus niet afnemen, wat experimenteel bevestigd wordt[135]. ATP blijft nodig voor de herstelprocessen 's nachts.

Kort door de bocht gesteld: deze meer gedetailleerde beschrijving past bij het centrale idee in het beschreven TCM mechanisme dat de hoeveelheid (effectiviteit) van de mitochondrien overdag in het licht afneemt (activiteit), en snachts in het donker weer toeneemt (rust).

Diverse fysiologische processen (elk, samengaand met bepaald gedrag) hebben invloed op de hoeveelheid beschikbare nutrienten en op de vraag naar ATP. Het hypothetische TCM mechanisme stelt een (corrigerende) regulatie van de beschikbare hoeveelheid koper, zink en magnesium (in het cytoplasma, koper en zink gebonden aan metallothioneine) van het circadiaans ritme voor.

Een circadiaans ritme in koper-, zink- en magnesiumionen is gemeten in het bloed [50-52], met een maximum voor zink in de ochtend en een maximum voor koper en magnesium in de namiddag. 's Nachts neemt koper in het serum af, vermoedelijk door de mitogenese. Ook het messenger RNA voor metallothioneine (type MT-1) vertoont een circadiaans ritme met een maximum in de namiddag [69].

's Nachts: vermoedelijk treedt in de nacht afname van koper en zink en toename magnesium op. Stel, dat de concentratie binnen de cel in hetzelfde ritme beinvloed wordt door de concentratie van deze moleculen in het bloed. Als 's nachts intracellulair magnesium afneemt, zal MT afnemen, zodat minder MT het mitochondrium beinvloedt: ROS opvangt, zink afgeeft, om te remmen. Melatonine in de mitochondrien kan 's nachts de ROS vangen. MT hoeft minder koperionen te vangen in het mitochondrium, want tijdens fission zal meer koper vrijkomen dan tijdens fusion en 's nachts is de periode van fusion, niet van fission.

Overdag: Is dit compatibel met de meting dat de zinkafhankelijke OMA1 enzymen de fusion remmen? Fusion treedt 's nachts op, dan is er in het circadiaans ritme verondersteld dat er minder zink in de cel is. Overdag, de periode van fission, dient er geen fusion op te treden, OMA1 remt fusion. Overdag bij fission dienen de vrijgekomen koperionen door metallothioneine opgevangen te worden, en is er voldoende metallothioneine. Gedurende de dag neemt MT toe, er komen meer koperionen vrij, fission neemt toe. De koperionen verdrijven zink van MT, waardoor vrij zink in het cytoplasma waargenomen wordt door de zink sensor, die de DNA expressie van MT laat toenemen. Door gebruik van de mitochondrien en variabele activiteit en eetmomenten op de dag, is er meer kans op ROS vorming in de mitochondrien en is fission van belang, om de kwaliteit van de mitochondrien te handhaven. In dit verhaal staan zink en metallothioneine centraal, en het past hierin dat zink de fusion wat afremt.

Het fission/fusion proces correleert met het circadiaans ritme van koper, zink en magnesium in de cel. Er zijn fysiologische processen die van buitenaf het circadiaans ritme van koper, zink en magnesium beinvloeden: bijvoorbeeld door stress geeft de lever gedurende de dag onder invloed van adrenaline, steeds meer ceruloplasmine met koperionen aan het bloed af. Zink afkomstig van verteringsenzymen worden meeverteerd en komen in de lever terecht. De lever reguleert de zinkconcentratie in het bloed vermoedelijk bij, door middel van de productiesnelheid en afgifte van albumine dat zink vervoert in het bloed.

Mitochondrien worden voortdurend aangemaakt en afgebroken, waarbij fission en fusion een rol spelen. Eiwitten in de mitochondrien, waaronder de vijf complexen van de oxidatieve fosforylering, bestaan uit delen die uit aflezing van kernDNA ontstaan, en delen die uit aflezing van mitochondrieel DNA ontstaan. Hoe de eiwitten van de kern naar de mitochondrien vervoerd worden is niet duidelijk. Mogelijk speelt het endoplasmatisch reticulum dat voor fission contact maakt met mitochondria, en daarbij calciumionen verplaatst naar de mitochondria, een rol. Het endoplasmatisch reticulum speelt een rol bij de vorming van eiwitten in het cytoplasma.


Bijlage 4: voorbeeld van functies van zink, buiten de mitochondrien om; rol van calciumkanaaltjes bij het zinktransport [121].

95% van de totale zinkhoeveelheid bevindt zich in de lichaamscellen [145]. Een zinkdeficientie door te weinig zink in de voeding laat direct een zinkafname in het bloedplasma zien, en in urine en faeces, ook neemt de eetlust periodiek af [145]. Tijdens de anorectische periode worden spieren. afgebroken: spieren bevatten veel zinkionen [145]. Dit, om te voorkomen dat er te weinig zink in de cellen ontstaat [145]. In de cel is de totale zink concentratie geschat op gemiddeld 100-200 micromol [130]. Vrije zinkionen komen minder voor in cytosol, namelijk in de orde van nano of picomol [130]. Vrije koperionen komen in het cytosol voor in de orde van femtomolaire concentraties [146].  Zink reguleert diverse processen, activiteit van diverse enzymen, en heeft een signaalfunctie, is een second messenger [130]. Sommige cellen stoten zink, omhuld door een blaasje (vesicle) uit in de extracellulaire ruimte (neuronen, pancreascellen) [130]. In synapsen in de hersenen kan de zinkconcentratie 1-100 micromolair worden [130] . Vanuit de extracellulaire ruimte kan zink de activiteit van een aantal ionkanalen en receptors modelleren. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren doordat een neuron in de synaps (extracellulaire ruimte) de neurotransmitter glutamaat afgeeft, waarbij tegelijk een blaasje met zinkionen wordt afgegeven in de synaps met behulp van exocytose. Metallothioneine komt ook in de celkern (De kern bezit geen zinktransporters (ZnT en ZIP) heeft [130]. Dit doet vermoeden dat metallothioneine waarschijnlijk ook een regulerende functie heeft in de celkern. Zink exocytose vindt plaats in de orde van microseconden, zinkmetabolisme in de orde van seconden, genexpressie (als meer MT gevormd dient te worden) in de orde van minuten, en proliferatie (vorming van nieuwe cellen) duurt uren [133].

Zinkionen zijn bij veel processen* betrokken, maar niet alle zinkafhankelijke processen zijn even gevoelig voor zinkdeficientie. Bij pathologie is van belang, welke complexen een lage stabiliteit hebben, zoals kinetiek van dissociatie en snelheid van proteine synthese. Transcriptie factoren (zinc fingers) hebben een hoge stabiliteit.   (*: zoals oxidoreductases, transerases, hydrolases, lyases, isomerases and ligases [130]). Zink ionen vormen een stabiele binding met stikstof, zuurstof, histidine en glutamaat/aspartaat [140]. Zink vormt een meer instabiele verbinding met thiolaat (cysteine) met redox-aktieve kenmerken. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij metallotioneine, waarin de zink gemakkelijk door een vrije radikaal vervangen wordt [140]. (Het lijkt erop dat een redox reactie nodig is om zink van een enzym te laten overgaan naar metallothioneine: hierbij speelt glutathion een rol [141]).

Een aantal van de pathologische kenmerken van een zinkdeficientie hangt samen met het gegeven dat zink deficientie het binnenstromen van calciumionen in de cel afremt. Deze pathologische kenmerken van een zinkdeficientie zijn: afwijkende smaaksensatie en afname eetlust, abnormale waterbalans (TCM Damp) een neiging tot bloedingen door falen van samenklontering van bloedplaatjes, afname van zenuwtransmissie, en bij kinderen afremming van groei. Dit zijn allen kenmerken die een centrale rol spelen in de TCM bij fase aarde. Calciumionen hebben een rol als second messenger voor hormonen, groeifactoren, bij immuuncellen en bij neurale activiteit.

Zinkdeficientie kan de neiging tot bloedingen vergroten. Het eerst neemt de zinkconcentratie in bloedplasma af (en in het celmembraan), terwijl de zinkconcentratie in het cytosol nog constant blijft. De bloedplaatjes in het bloedplasma zijn gevoelig voor zinkdeficientie. Bij ernstiger zinc deficientie neemt de efffectivieteit van (calcium kanaaltjes in) twee calcium bronnen af: SOCE (store operated calcium entry) en ROCE (receptor operated calcium entry). Hierbij zijn twee soorten calcium kanaal eiwitten betrokken: Orai 1 en TRPC, die beiden slechter gaan functioneren bij zink deficientie. Bloedplaatjes in het bloedplasma bezitten beide typen calciumkanaaltjes.

Dat zinkionen bepaalde calciumkanaaltjes kunnen afremmen, wordt herleid uit onderzoek, waarbij (1) malfunctie van deze twee kanalen bij genetische manipulatie bij proefdieren resulteert in immunodeficientie en myopathie (spierziekte, verlamming), ectodermale dysplasie (afwijkingen in ectoderm, dunne huid, ontbreken van zweetklieren, afwijkende pigmentcellen in de huid), maar ook netvlies van ogen en onderdelen van binnenoor. Dit zijn kenmerken van zinkdeficientie. (2) Experimenten bij proefdieren laten zien, dat bij zinkdeficientie de snelheid van neurale geleiding afneemt, waardoor stijfheid, hyperalgesia (toename pijngevoeligheid) en ataxia (verstoring van evenwicht en bewegingscoordinatie) kan ontstaan. Toename van zinkionen laat deze symptomen weer verdwijnen. Glutamaat speelt als neurotransmitter dat veel voorkomt, een belangrijke rol in zenuwgeleiding. De werking van de neurotransmitter glutamaat gaat samen met opname door de synaps, van blaasjes gevuld met calcium, wat door zinkdeficientie vertraagd wordt.

De afname eetlust bij zinkdeficientie lijkt op het effect van deprivatie van essentiele aminozuren. Proteine synthese neemt in dat geval af, en er is accumulatie van niet geassimileerde aminozuren, wat de eetlust indirect beinvloedt.

De verstoorde waterhuishouding bij zinkdeficientie is gerelateerd aan het effect op kalium kanalen in de cel. Afname van hoeveelheid calcium die de cel binnengaat, inactiveert kalium kanalen en daarmee de osmotische regulatie. Bij proefdieren ontstaat in dit geval een voorkeur voor zout water. Dit kan te maken hebben met het een verschuiving van extracellulair water naar de intracellulaire ruimte. Door de osmotische werking houdt extracellulair zout het extracellulair water relatief meer vast.

Daarnaast is gemeten dat bepaalde calcium geleidende kanalen in het celmembraan ook betrokken zijn bij de cellulaire opname van zinkionen [122], zie ook Bijlage 4. Eenmaal aangekomen binnen de cel, is er een synergistische werking (beide versterken bepaalde effecten) tussen calcium- en zinkionen [123]. In het betreffende calciumkanaaltje remt zink het calcium vervoer af, maar in de cel niet meer.

Import en export van zink in de cel (endocytose). Er zijn specifiek kanaaltjes voor transport van zinkionen: Zip (SLC39) en ZnT (SLC30). ZnT controleert de uitstroom van zinkionen uit het cytoplasma (naar extracellulaire ruimte, of de organellen binnen). Zip controleert de instroom van zink naar het cytoplasma, vanuit de extracellulaire ruimte of vanuit organellen of vesicles in het cytoplasma.

Naast deze vorm van zinktransport is gemeten dat bepaalde calcium geleidende kanalen in het celmembraan betrokken zijn bij de cellulaire opname van zinkionen [122]. Zink kan zowel calciumtransport via het calciumkanaaltje afremmen, als door hetzelfde calciumkanaaltje de cel binnengaan. Dit is aangetoond bij voltage gated calcium kanalen (type T, N en L) en bij (glutamaat afhankelijke) NMDA receptoren. Ook is het aangetoond bij acetylcholine receptoren, die voorkomen op de motorische eindplaatjes op spieren. Het is verder nog aangetoond bij bepaalde TRP kanalen (trp: transient receptor potential), namelijk TRP (A1, C6, M3, M6, M7, ML1, V6). TRPM3 bevindt zich in pancreas betacellen, die zowel insuline als zinkionen uitstoten. TRPML1 speelt een rol bij lysosomaal metaal transport. TRPA1 speelt een rol in dorsale wortel en trigeminus zenuw die reageren op pijnstimuli. Niet alle TRP zijn hetzelfde: TRPM1 is niet zinkdoorlatend, maar wordt wel geremd door zinkionen. Tenslotte: bij de acetylcholine receptoren en de voor zink gevoelige TRP kanalen hebben calcium en magnesium geen invloed op de hoeveelheid zink dat binnenstroomt via deze receptoren. Ook de glutamaatafhankelijke AMPA receptoren laten zinkionen door. Zinkionen komen de cel binnen via calcium en glutamaat-afhankelijke kanaaltjes [130]. De meeste benodigde zinkionen in het cytoplasma komen vanuit interne opslagplaatsen, zoals in macrofagen.[130].

Zink en calcium. Calciumionen komen in het cytoplasma vrij als er een hormoon op zijn receptor in het plasmamembraan aankomt. (Zinkionen remmen het calciumtransport via het calciumkanaal af, maar tegelijkertijd komen zinkionen via het calciumkanaal in het mitochondrium). Calciumionen kunnen ook opgeslagen zijn in het endoplasmatisch reticulum (ER). Ook zinkionen kunnen opgeslagen worden in het endoplasmatisch reticulum [145]. Als het hormoon op zijn receptor arriveert, en zowel ER als mitochondrium zijn daar aan de binnenzijde van de celmembraan arriveren via het cytoskelet, kunnen calciumionen vanuit ER verhuizen naar het mitochondrium. Calcium ionen bevorderen de ATP synthese (door de citroenzuurcyclus te bevorderen, waar het op drie enzymen hiervan (dehydrogenasen) een positieve invloed heeft) []. (Bij de verbinding tussen deze drie celonderdelen (plasmamembraan, endoplasmatisch reticulum en mitochondrium) kan onder bepaalde omstandigheden fission van de mitochondrium optreden [126].)

Theorie over de ontwikkeling van het metalloom in de evolutie beschrijft dat de ontwikkeling van de regulatie van calcium van het cytoplasma eerder is gevormd in de evolutie, dan de regulatie van zink [131]. Het gegeven dat bij de calciumkanaaltje zink de calciumtransport beinvloed, kan een indicatie zijn voor een secundiare rol van zink als signaalmolecuul. Zink in het bloed heeft een circadiaans ritme, en geeft de fysiologische toestand, (zoals activiteit van spijsvertering en immuunsysteem) soms correlerend met gedrag, weer. Zink komt in het bloed na vertering: Verteringsenzymen (o.a. proteasen) bezitten vaak een zinkion, dat mee verteerd wordt en in de darmen wordt opgenomen. (De lever speelt ook een rol). Wanneer de nutrienten na de vertering en na doorgang door de lever, aankomen bij de cel zal op dat moment in de cel de situatie ontstaan dat de ATP behoefte kleiner is dan de aangekomen hoeveelheid nutrienten. Complex 4 wordt onvoldoende gestimuleerd (door de lage [ADP]/[ATP] en de mitochondriele membraanpotentiaal blijft aan de hoge kant, omdat de protonengradient minder gebruikt wordt om ATP te maken. Hierdoor ontstaat in de mitochondrien ROS.

Zink komt in de mitochondria bij toename van ROS (MT bindt ROS en laat zink vrij). Zink remt de ATP vorming iets af, dit kan ten voordele van de vorming  van lipiden zijn. Ook het immuunsysteem beinvloed ROS. Ook in de TCM is er een circadiaans ritme, seizoensritme, en invloed van gedrag. Zinkionen fluctueren mee. Via de interactie van zink met de calciumkanaaltjes, zal zinkfluctuatie resulteren in calciumfluctuatie bij de calciumpiek. De calciumpiek ontstaat als reactie op hormonale stimulatie aan de buitenkant van de cel. Mogelijk heeft zink in deze context een rol als derde messenger, voor calcium als tweede messenger.

[130] Wanneer in de cel een hoeveelheid zinkionen binnenkomt, wordt voorkomen dat vrij zink in het cytosol toeneemt, door zinkionen te binden aan proteines en zinktransporters, zoals metallothioneine. Metallothineine speelt een rol bij redox signalering. Zinkionen zelf hebben geen biologische redox activiteit, maar wel de combinatie van zinkionen met de thiolaat groep in metallothioneine. De zinkionen worden verplaatst naar subcellulaire structuren, zoals mitochondrien, de celkern, het golgi apparaat blaasjes en lysosomen [130]. Korte veranderingen in de zinkconcentratie van het cytosol heeft een signalerende functie, onafhankelijk van de signalerende functie van calciumionen. Het molecuul MTF-1 (metal response element-binding transcription factor 1) neemt waar of de zinkconcentratie in het cytoplasma toeneemt, en coordineert de expressie van (twee onderdelen van) metallothioneine en zinktransporter ZnT1 [130]. (Uitschakeling van MT genen bij de levercellen van muizen maakt ze gevoelig voor zink deficientie).

In het cytoplasma is de concentratie van vrij zink extreem laag. Zink wordt zo snel mogelijk opgeslagen in mitochondrien, celkern, golgiapparaat, endoplasmatisch reticulum en zinkblaasjes (zinkosomen), waarvan sommigen speciaal bedoeld voor exocytose (zink uitstoten uit de cel) [133]. Dit laatste gebeurt in synapsen in de hersenen, bij betacellen in de pancreas, door de prostaat, bij melkafscheiding door het borstweefsel, maar ook door diverse immuuncellen: mestcellen, granulocyten en neutrofielen, en door bloedplaatjes [133]. Deze cellen betrokken bij zink exocytose hebben een grotere behoefte aan zink [133]. Macrofagen hebben zink nodig voor productie van cytokines [136].

Zink heeft een signalerende functie in de cel: er kunnen korte zinkpieken ontstaan. Zinkionen verwijderen een fosfaatgroep van tyrosine fosfatase, waardoor dit enzym minder aktief wordt. Tyrosine fosfatase speelt een belangrijke rol in diverse signaleringsroutes in de cel [133].


Bijlage 5: Communicatie tussen mitochondrien en nucleus onder andere via calciumionen [155]

De meeste mitochondriele proteinen worden in de nucleus afgelezen van het DNA. Mitochondrien passen de snelheid van vorming van ATP aan de omstandigheden aan. Dit kunnen zijn: een toename van verbruik van ATP door fysieke lichaamsoefeningen, exercises; een gebrek aan nutrienten in de cel, als input in mitochondrien om ATP te genereren [155]. Het kan ook een temperatuurverandering zijn in de omgeving: afkoeling, of een korte warmtepuls [155]. Ook hypoxia en hormonen beinvloeden de activiteit van mitochondrien [155],[156]. De transcriptie factor PGC-1alfa staat centraal voor de aflezing van kernDNA voor proteinen betrokken bij de mitochondrien (> 1000). PGC-1alfa stimuleert de aflezing van DNA voor een set andere transcriptiefactoren. Figuur 10 geeft de context weer van biogenese van mitochondrien binnen fusion en fission, en de plaats van PGC-1alfa in deze processen.Fysieke lichaamsoefeningen veroorzaken een toename van [ADP]/[ATP] in het cytoplasma. Dit wordt opgemerkt door het molecuul AMPK. AMPK stimuleert op zijn beurt de DNA expressie van PGC-1alfa [155]. Een kortdurende hoge omgevingstemperatuur veroorzaakt een toename van [ADP]/[ATP].                

Calciumionen staan bekend als second messenger, voor communicatie tussen celmembraan en organellen, en organellen onderling. In het cytosol is de concentratie vrij calciumionen groter dan dat van zinkionen, zie figuur 8, mogelijk omdat zinkionen zich sneller binden aan proteinen, waardoor een conformatieverandering zou kunnen optreden bij deze proteinen. Calciumionen worden opgeslagen in mitochondrien en in endoplasmatisch reticulum [155]. In de mitochondriele matrix stimuleren calciumionen drie enzymen van de citroenzuurcyclus, wat het electronentransport versnelt [155]. Het calciumtransport van intermembraanruimte naar matrix verloopt via de calcium-uniporter, dat gebruik maakt van de uitwisseling van natriumionen en protonen tegen calciumionen [155].

Het calciumtransport van cytosol naar intermembraan ruimte en vice versa vindt plaats via VDAC (voltage dependent anion channel) in de buitenste membraan van het mitochondrium. Dit kanaal is open als de membraanpotentiaal kleiner dan 30-40 mVolt is. Bij een grotere membraanpotentiaal, ofwel een goed werkende oxidatieve fosforylering gaat het kanaal dicht [155]. Dit betekent dat bij een slecht werkende oxidatieve fosforylering, bijvoorbeeld door te weinig nutrienten, calciumionen uit de intermembraanruimte weglekken naar het cytosol. In het cytosol stimuleert een toename van calciumionen AMPK, dat op zijn beurt PGC-1alfa stimuleert, voor de biogenese van nieuwe mitochondrien [155]. Overigens spelen meer moleculen een rol bij de stimulering van biogenese van mitochondrien, zoals NO (dat met superoxide, ROS in de mitochondrien, een radicaal vormt, peroxynitriet), de redoxsituatie van de cel (hoeveelheid ROS, [NAD+]/[NADH]), SIRT, mTOR.

Resumerend: bij een kleine membraanpotentiaal over de binnenste membraan van het mitochondrium geven calciumionen (o.a.) een signaal af van mitochondrien naar de nucleus, ter stimulatie van biogenese van mitochondrien. Een kleine membraanpotentiaal is minder effectief in ATP vorming en gebruikt mogelijk de zuurstof niet volledig, zodat zich zuurstofradicalen kunnen ontwikkelen. Omstandigheden die kunnen leiden tot deze situatie zijn: vasten (nutrienten tekort), fysieke oefeningen (grotere behoefte aan ATP), koude of een korte hittepuls [155]. Andere redenen voor ontwikkeling van ROS kan zijn: een toevoer van teveel nutrienten, een te laag zuurstof aanbod (hypoxia), een te groot zuurstof aanbod (hyperoxia) [156]* of bij een te lage behoefte aan ATP (te weinig fysieke activiteit, actieve skeletspieren). In deze situaties worden de nutrienten onvolledig gebruikt, en ontstaat er een lagere membraanpotentiaal. In reactie hierop wordt de biogenese van mitochondrien gestimuleerd, via o.a. calciumionen. De hypothesen van het werkingsmechanisme gaan uit van deze omgevingsafhankelijkheid van mitochondrien. Bijlage 6 beschrijft welke rol zinkionen, koperionen en magnesiumionen hierbij mogelijk spelen. Centraal hierin staat de rol van zink gebonden aan metallothioneine. ROS bindt sterker aan metallothioneine en verdrijft zink. Metallothioneine, waaraan zink gebonden is, komt in de intermembraanruimte van de mitochondrien, waar ROS met name uit complex 3 vrijkomt. De vrijgekomen zinkionen binden aan complex 3 van de oxidatieve fosforylering, waardoor dit complex minder snel werkt, en er een lagere membraanpotentiaal ontstaat, waardoor calciumionen naar het cytosol kunnen vertrekken ter stimulatie van biogenese van mitochondrien. Dit zinkafhankelijke proces draagt bij aan de lagere potentiaal. Hierdoor zijn er in het cytosol tijdelijk minder zinkionen. Zinkionen zijn betrokken bij DNA expressie van enzymen en transporteiwitten zoals metallothioneine en lysyloxidase. Een van de hypotheses van het werkingsmechanisme is dat deze vorming trager verloopt. UIteindelijk zullen processen zoals biogenese, fusion en mitofage (zie Figuur 10) de zinkionen weer teruggeven naar het cytoplasma. Ook koperionen binden zich aan metallothioneine, maar steviger dan zinkionen, zodat de zinkionen eerder verdreven zullen worden.

*) Zowel teveel zuurstof (hyperoxia) als teweinig zuurstof (hypoxia) in de cel leidt tot het onstaan van ROS in de mitochondrien [156]. Bij hyperoxia ontstaat meer ROS dan bij hypoxia. ROS komt in de mitochondrien tijdens de oxidatieve fosforylering in de binnenste membraan vrij: Complex 1 en 2 geven ROS (superoxide) af aan de matrix. In de matrix zet SOD-2 (superoxide dismutase met mangaan als cofactor) superoxide om in waterstofperoxide. In de matrix remt ROS aconitase, een enzym dat in de citroenzuurcyclus citroenzuur omzet naar isocitroenzuur. Een vertraging van deze stap geeft een vertraging van het ontstaan van de protonengradient, waardoor de vorming van ATP (en ROS) worden afgeremd. Vermoedelijk speelt deze manier van onstaan ROS vooral een rol bij hyperoxia [156]. Dit is herleid uit het effect van knockout experimenten van SOD-1 vergeleken met die van SOD-2 [156]. Wanneer er meer zuurstof in de mitochondrien komt, dan er nutrienten beschikbaar zijn om mee te reageren, zal de zuurstof onvolledig worden omgezet in water, en kan zo superoxide ontstaan.

Complex 3 geeft ROS af aan de intermembraan ruimte. SOD-1 (superoxide dismutase met koper en zinkionen als cofactoren) zet superoxide om in waterstofperoxide. Dit remt complex 4 van de oxidatieve fosforylering [156]. Vermoedelijk speelt deze route vooral bij hypoxia. Wanneer er te weinig zuurstof is, om de hoeveelheid nutrienten in de mitochondrien om te zetten, ''hoopt de protonengradient zich op'', waardoor ook vrije radicalen kunnen ontstaan. Hiermee zal de kleinere hoeveelheid zuurstof dat er is, gemakkelijk tot superoxide worden omgezet.

Bijlage 6: Toepassing op hypotheses ter beschrijving van de TCM polsdiagnose-afhankelijkheid van seizoenen.

Drie belangrijke hypthesen zijn toegepast in Figuur 3. Figuur 3 beschrijft een relatie tussen de ligging van de meridianen (in lengterichting) op het lichaam en de hypothetische (gemiddelde) ion verhouding in de mitochondrien in het bindweefsel en spieren in het traject van de meridiaan. De omgevingstemperatuur stuurt op de ionverhouding in de mitochondrien (of in totale hoeveelheid mitochondrien per cel).

(Hypothese 3) Hoe meer kans op afkoeling door omgevingstemperatuur, hoe belangrijker de rol van koperionen is in de mitochondrien (of meer mitochondrien per cel). De meeste afkoeling vindt plaats aan de zijkant van het lichaam, op het traject van de galblaasmeridiaan.

(Hypothese 4) De minste kans op afkoeling als gevolg van omgevingstemperatuur is op de buik, waar de renmai en niermeridiaan lopen. Hier zijn minder koperionen in de mitochondrien nodig en spelen relatief meer magnesiumionen een rol.

(Hypothese 5) In gebied van het lichaam tussen zijkant en buik, op het traject van maag meridiaan, miltmeridiaan, en blaasmeridiaan treedt een overgangssituatie op en remmen zinkionen de werking van koperionen enigszins af.

(Ad hypothese 3) Cofactor koper: Meer behoefte aan warmte (en aan energie ATP, omdat rillen en meer beweging van skeletspieren ATP nodig heeft): Figuur 2 laat zien dat koperionen zowel vorming van ATP als vorming van hitte stimuleert. Meer ATP verbruik geeft een toename van [ADP]/[ATP]. Omdat koperionen als cofactor in complex 4 is ingebouwd, is de hoeveelheid koperionen in een mitochondrium alleen te beinvloeden via nieuwe synthese van complex 4, dat deels uit kernDNA en deels uit mitochondrieen DNA wordt afgelezen. Mitochondrien in de cel worden continu aangemaakt en afgebroken, overdag meer fission, 's nachts meer fusion. Als geheel zullen aan de zijkant van het lichaam meer koperionen in de cel in omloop zijn, om zowel warmte als ATP in voldoende mate te produceren.

(Ad hypothese 4) Als de cel minder opwarming nodig heeft, maar een gelijke behoefte aan ATP dan laat Figuur 2 zien, dat minder koper nodig is. Magnesium is een cofactor in complex 5. Complex 5 maakt uit ADP het energierijke molekuul ATP met behulp van de protonengradient, opgebouwd door complex 1-4. Een gelijke hoeveelheid ATP produktie (bij lagere warmte produktie) in de cel kan geleverd worden met minder koper en meer magnesium. Hoe weet het mitochondrium dat er minder koper en meer magnesium in het mitochondrium nodig is, en hoe krijgt het dit voor elkaar? Omdat magnesium en koper ingebouwde cofactoren zijn, zal correctie van de hoeveelheid complex 5 t.o.v. complex 4 pas plaatsvinden tijdens de vorming van nieuwe mitochondrien. Stel, deze vorming van nieuwe mitochondrien (via kleine stapjes met fusion en fission) stopt (of vertraagt) pas, als voldaan wordt aan de eis, dat er voldoende snelheid van produktie van ATP is, en minder warmteproductie. Deze twee vormen van productie blijven doorgaan in het versnelde fission en fusion proces.

Het is gemakkelijker in te zien, als de situatie van de andere kant bekeken wordt: het is kouder geworden, en bij gelijke behoefte aan ATP is er meer behoefte aan warmteproductie. De oxidatieve fosforylering heeft meer complex 4 (Cu) en minder complex 5 (Mg) nodig. De kou geeft stress. De lever regelt de hoeveelheid koperionen in het bloed bij. Dit doet de lever via productie van ceruloplasmine, waaraan de lever een koperion bindt. Dit proces is hormoon afhankelijk: adrenaline stimuleert deze afgifte van ceruloplasmine met koper aan het bloed. Bij stress arriveren er meer koperionen in de cel. De hoeveelheid koperionen in het cytoplasma bepaalt de productiesnelheid van complex 4 [125]. Meer koperionen, betekent dat de norm sneller bereikt wordt, en er minder complex 5 in die tijd gemaakt is. De norm was (gesteld) door de verhouding [ADP]/[ATP] in de mitochondria. Deze verhouding bepaalt de activiteit van complex 4 [125]. Complex 4 is de snelheidsbepalende stap van de oxidatieve fosforylering [125].

(Ad hypothese 5) Zinkionen remmen complex 3 (bc1-center) van de oxidatieve fosforylering, door binding aan de buitenkant van dit complex, waardoor er een conformatie verandering van het enzym ontstaat en het minder effectief is [124]. Dit geeft een verlies van mitochondrial membraan potentiaal en afname van productie ROS [123]. De binding van zinkionen aan de buitenkant van complex 3 is een relatief snel proces (in vergelijking met het effect van verandering van de ingebouwde cofactoren koperionen of magnesiumionen in de mitochondrien), omdat dit laatste proces vereist dat er nieuwe mitochondrien gevormd worden.

Bovendien, als er relatief meer nutrienten in de cel aanwezig zijn, en de behoefte van de cel aan energie, ATP relatief laag is, gaan zinkionen relatief meer in de mitochondrien zitten (vergeleken met cytosol). Zinkionen bevorderen de citroenzuurcyclus in de matrix van het mitochondrium. Door de lage energiebehoefte, waardoor relatief hoge [ADP]/[ATP] wordt complex 4 afgeremd. Hierdoor ontstaat er ophoping van ROS (reactive oxygen species, zoals peroxide en superoxide). Metallothioneine waaraan zinkionen gebonden zijn komen in de intermembraanruimte van de mitochondrien. De ROS die daar vrijkomt bindt aan metallothioneine, waardoor zinkionen losraken van de metallothioneine, en het mitochondrium binnentreden.

De binnengekomen zinkionen in het mitochondrium vertragen complex 3, en de energie van complex 2 gaat naar de citroenzuurcyclus. Doordat zink het enzym vertraagt in deze cyclus, dat citroenzuur verder omzet in de citroenzuurcyclus, zal citroenzuur zich ophopen. Citroenzuur vertrekt daarom gemakkelijker uit de mitochondria naar het cytosol, waar het verder omgezet wordt tot vetzuren en cholesterol. Nutrienten worden in dit geval voor een deel omgezet in vetten en cholesterol, in plaats van ATP en warmte.

Wetenschap: Het effect van seizoenen zomer , najaar en winter op oxidatieve fosforylering in mitochondrien van de winterslaap vertonende eekhoorn is de volgende [152]. In de winter vond in de mitochondrien meer verbranding van vrije vetzuren plaats. Vergeleken met de zomer, was er in de winter een lagere activiteit van complex 1 en 2. Hart mitochondria: in najaar groter oxidatieve capaciteit dan in zomer. Het hart moet in de winterslaap actief blijven, in tegenstellling tot de skeletspieren. Najaar en winter: meer ontkoppelingproteines in mitochondrien in bruin vetweefsel en spieren, voor endothermie, waardoor minder ATP vorming plaatsvindt. Ontkoppelingseiwitten (UCP2) worden tijdens kou gestimuleerd door PGC-1alfa. Ook ROS stimuleert vorming van UCP2 [152]. Het is een andere beschrijving dan bij de polsdiagnose gebruikt is. Mogelijk zijn de experimenten [152] bij een voor een seizoen korter durende situatie uitgevoerd: de eekhoorns werden na een verblijf van 4-6 weken in de seizoenstemperatuur geanalyseerd. De polsdiagnose gaat van de stelling uit, dat de lever op de achtergrond de hoeveelheid beschikbare koperionen voor alle cellen, via het bloed, varieert gedurende de seizoenen. Een seizoen duurt drie maanden. Daglichtlengte kan een rol spelen. Bovendien hebben mensen geen winterslaap, waardoor de skeletespieren actief blijven in de winter.

Neemt tijdens de slaap de lichaamstemperatuur af? Gemeten is, dat tijdens de REMslaap (rapid eye movements) het lichaam minder doet aan bijregeling van zijn temperatuur [157]. Geen rillen of hijgen ter correctie van de lichaamstemperatuur [157]. REMslaap treedt niet in, als de temperatuur niet optimaal is, dat wil zeggen te koud of te warm. Aan de andere kant: als er teweinig REMslaap is, door deprivatie van de REMslaap (telkens wakker maken, op het moment dat het EEG verandert in EEG van REMslaap) dan treedt er hypothermie op, afkoeling van het lichaam [157]. Het lijkt erop dat de mitochondrien niet alleen minder warmte produceren (weinig ontkoppelingsproteine UCP) , maar ook minder energie (ATP), want met name tijdens de REMslaap zijn de skeletspieren weinig aktief. De hoeveelheid ROS die in mitochondrien kan ontstaan, wordt op deze manier minimaal gehouden. Ander onderzoek laat zien dat bij chronische deprivatie van REMslaap er een toename optreedt van expressie van UCP1 in het bruine vetweefsel [158]. Wat is de reden dat tijdens REMslaap UCP minder actief is? Figuur 2 laat zien, dat bij lage UCP, de hoeveelheid gevormde ATP rechtstreeks afhankelijk is van cu en mg. Er is geen correctie voor temperatuurverschillen in de omgeving of voor gedragswisselingen waardoor de spieren tijdelijk een grotere ATP behoefte hebben. Is lage UCP snachts de omstandigheid waarbij de biogenese van mitochondrien afgestemd wordt op de overgebleven ATP behoefte in rust en bij consolidatie van geheugen? De overgebleven ATP behoefte geeft aan, wanneer er voldoende mitochondrien in de cel zijn en de biogenese klaar is. Hoeveelheid magnesium en koperionen worden tijdens de REMslaap mogelijk op elkaar afgestemd. Een aanloop tot inactiviteit en lage UCP vindt misschien al plaats tijdens de nonREM slaap. Hierin past de bevinding dat injectie  van magnesium de hoeveelheid REMslaap laat afnemen en de hoeveelheid nonREMslaap toenemen [159]. Wanneer deze magnesium ook wordt opgenomen in de mitochondria, zal de hoeveelheid gewenste ATP sneller bereikt worden, of zal er UCP bijgemaakt worden om de ATP vorming wat af te remmen. Dit verstoort mogelijk de ''reset'' toestand tijdens de REMslaap, en blijkbaar remmen de hersenen het ontstaan van de REM slaap af. Het blijkt dat een toename van magnesiumionen (door incubatie van magnesium aan mitochondrien afkomstig van bruine vetcellen) binden aan GDP (guanosine diphosphate) [160]. Hierdoor bindt GDP minder gemakkelijker aan UCP, waardoor UCP aktiever wordt [160]. Dit past in de hypothetische beschrijving, dat tijdens de REMslaap, het lichaam ervoor zorgt dat UCP minimaal blijft. In deze situatie kan de biogenese van mitochondrien fitten met alleen magnesium en koperionen, zie schema in Figuur 2. Het past in de hypothese van het werkingsmechanisme van TCM dat ATP behoefte stuurt, dat de hoeveelheid magnesium en koper in de mitochondrien op elkaar worden afgestemd.


Bijlage 7: Meer nutrienten dan ATP-behoefte, of meer ATP-behoefte dan nutrienten geeft onvolledig gebruik van zuurstof en vorming van ROS.

Incomplete zuurstof reductie genereert oxidatieve stress (ROS). Toegepast op mitochondrien: Wanneer de aangevoerde zuurstof niet helemaal wordt omgezet in water, blijven er zuurstofradicalen en ROS over [149]. Bijvoorbeeld, wanneer de cel minder behoefte heeft aan ATP (maar er veel nutrienten aangevoerd worden, zoals na een maaltijd), is de kant op oxidatieve stress in de mitochondria groter. Een kleinere behoefte aan ATP vertraagt complex 4, waardoor er een protonengradient blijft bestaan. Deze kan leiden tot oxidatieve stress. Een ander voorbeeld, het tegenovergestelde: de cel heeft meer behoefte aan ATP dan dat er aanvoer van nutrienten zijn. Er wordt een te kleine protonengradient opgebouwd, waardoor de zuurstof niet volledig wordt omgezet in water, en er ROS ontstaat. Een ander, hierop lijkend voorbeeld is de situatie als complex 1 en complex 3 het niet goed doen. In die situatie wordt er ook een te kleine protonengradient opgebouwd. Het lichaam heeft een aantal manieren om zich te weren tegen het ontstaan van teveel ROS. In de situatie dat er meer nutrienten dan ATP behoefte is, is het handig als de protonengradient afneemt. Metallothioneine kan in de intermembraanruimte van het mitochondrium komen en daar ROS binden, waardoor zinkionen die gebonden waren aan metallothioneine vrijkomen. Deze zinkionen remmen complex 3. Een alternatief is de activering door ROS van ontkoppelingseiwitten, UCP, [149] die m.b.v. de protonengradient warmte genereren. Hierdoor neemt de protonen gradient ook af. Voor de situatie dat er meer ATP behoefte is, en relatief weinig aanvoer van nutrienten kan vitamine B12 een rol spelen. In de mitochondrien stimuleert vitamine B12 het vetmetabolisme, waardoor lipiden, vetzuren als bron van verbranding kunnen dienen [150,151]. [149] De mitochondrien bevatten superoxide dismutase 1 in de intermembraanruimte en superoxide dismutase 2 in de matrix. Geassocieerd met de buitenmembraan van het mitochondrium zijn glutathion peroxidases aanwezig, die lipiden beschermen tegen oxidatieve modificatie [149].

In feite zijn drie organellen in de cel veel betrokken bij ROS vorming: mitochondrien, endoplasmatisch reticulum en peroxisomen [149]. ER is betreokken bij validatie en eventueel degradatie van eiwitten die dienen voor secretie. ER produceert ook vetten, en heeft een belangrijke rol voor calciumionen opslag in de cel [149]. Peroxisomen spelen een rol bij de initiatie van de afbraak van vetzuren (beta oxidatie van vetzuren), die hierna naar de mitochondrien gaan voor verdere verwerking [149]. Deze drie organellen (ER, mitochondrien en peroxisomen) maken contact met elkaar: zitten via porien als een soort driehoek aan elkaar vast [149]. ROS laat eiwitten in ER zich ontvouwen. Een redox-gecontroleerde reactie binnen ER is de glutathionylatie van calnexin in ER, dat de intereactie tussen ER en mitochondria regelt [149]. Een redox-gecontroleerde reactie ondregaat ook het molecuul mitofusine, dat na glutathionylatie de fusie van mitochondrien stimuleert [149]. Na fusie van mitochondrien wordt de oxidatieve fosforylering efficienter. Bij toename van ER stress, neemt het mitochondriele enzym (protease) lon toe, waardoor de oxidatieve fosforylering toeneemt.

ER synthetiseert peroxisomen (de novo biogenese), ER kan zich om peroxisamen slingeren [149], net als ER doet bij het fission proces bij mitochondrien []. ROS kan gemakkelijk door membranen heen: door peroxisomale membraan en door mitochondriele membranen [149].


Bijlage 8: Bijdrage aan verschil tussen linker en rechterlichaamshelft: macrofagen, lever en milt.

Macrofagen. Macrofagen spelen een belangrijke rol zowel in het niet-specifieke immuunsysteem (zoals bij genezing van een wond) als in het adaptieve immuunsysteem. Wondgenezing gaat gepaard met een toename van M1 macrofagen (pro-inflammatoir, aanval microorganismen en weefsel) gevolgd door een afname in M1 en toename van M2 macrofagen (anti-inflammatoir, weefselopbouw). Normaal gesproken vindt bij wondgenezing een toename van macrofagen M1 plaats die NO afgeven aan de omgeving om lichaamsvreemde deeltjes en beschadigd weefsel aan te vallen. Deze NO dringt vrij de membranen in van cellen [133], om in het cytoplasma zich te binden aan metallothioneine, waardoor vrije zinkionen ontstaan. Als deze zinkionen de mitochondrien inkomen, zal dit de vorming van membranen stimuleren, wat de bedoeling is bij wondgenezing.

Acupunctuur heeft als basis, kleine beschadigingen in de huid te genereren door het prikken. Acupunctuur kan de omzetting van M1 naar M2 bevorderen [117]. Dit is van belang bij bijvoorbeeld het effect van hypoxia bij wondgenezing [119]. In de dermis (onder de epidermis) zijn bij wond genezing mesenchymale stromal cellen betrokken bij de omzetting van M1 naar M2 macrofagen. Hypoxia onderdrukt dit omzettingsproces in de huid [119]. Acupunctuur kan bijdragen aan het genezingsproces bij bepaalde huidziektes.

M2 heeft het cytokine interleukine 10 (IL-10) nodig om tot expressie te komen en geeft zelf weer IL-10 af om extra M2 te laten ontstaan. IL-10 speelt een belangrijke rol in de werking van acupunctuur. Wetenschappelijk onderzoek bij spierontsteking [117] demonstreert het effect van acupunctuur: een switch tussen veel M1 naar relatief veel M2, met afname pijn en zwelling. Bij proefdieren waarbij IL-10 niet tot expressie kan komen, treedt dit effect niet op [117]. Naast acupunctuur hebben ook lichamelijke oefeningen, excercises, een anti-inflammatoir effect heeft: ook daarbij is gemeten dat een verschuiving van M1 naar M2 optreedt. Gemeten is dat ATP toeneemt bij acupunctuur, dat purinerge receptoren (P2X7) op macrofagen stimuleert [117].

Diverse immuuncellen scheiden zink af in de vorm van exocytose van zinkblaasjes: mestcellen, granulocyten en neutrofielen, en door bloedplaatjes [133]. Deze cellen betrokken bij zink exocytose hebben een grotere behoefte aan zink [133]. Macrofagen hebben zink nodig voor productie van cytokines [136]. Bovendien hebben macrofagen ook receptoren voor catecholamines, zoals adrenaline [137]. In reactie op binding van adrenaline aan de macrofaag treedt er toename op van productie van cytokine IL-10 [137].

Lever: incidenteel meer M1 dan M2 macrofagen

Lever en milt spelen een belangrijke rol in het immuunsysteem. Een kwart van de bloedtoevoer naar de lever wordt aangeleverd via de leverslagader, die rechtstreeks uit de aorta (grote lichaamsslagader) komt. De overige driekwart van de bloedtoevoer komt via de poortader (Vena Porta), die bloed uit de darmen, milt, alvleesklier en galblaas naar de lever vervoert. Dit bloed bevat veel verteerde voedingsstoffen, die de lever verder verwerkt. Wanneer het bloed de lever verlaat, wordt het via de leverader in de algemene bloedsomloop teruggevoerd. Zie Figuur 11.

Figuur 11: Bloedvaten van en naar de lever: Een bloedvat vanaf de milt verloopt via de poortader naar de lever: milt en lever zijn nauw verbonden met elkaar. De lever bevat veel macrofagen (en overigens - bij ontsteking - ook veel metallothioneine [145]).

                                                      


De lever (in bovenbuik, relatief rechts van het midden) ontvangt het verteerde voedsel vanuit de darmen via de poortader [114]. In het verteerde voedsel komen mogelijk verkeerde stoffen voor, bedorven, of met resten van darmflora heeft een actief immuunsysteem nodig. M1 macrofagen zijn betrokken bij de aanval op deze microorganismen. De lever bezit 80-90% van de totale populatie in het lichaam van ‘’fixed-tissue’’ macrofagen [114]. De lever bezit zowel M1 al M2 macrofagen. Beide types macrofagen M1 en M2 zijn reversibel, en veranderen onder invloed van bepaalde cytokinen in het andere M type [116]. M1 wordt geactiveerd bij een wond, infectie of schimmel, bacterie of virus. M1 produceert o.a. IL-6 [116]. De lever is erg gevoelig voor hypoxia, en produeert bij intermittent hypoxia (OSAS) meer IL-6. Bij hypoxia ontstaat in de lever een laaggradige ontsteking (met veel M1). Hypoxia kan ontstaan bij OSAS (slaap apneu) dat ook bijdraagt aan de kans op ontsteking van de lever (NASH: non alcoholic steatohepatitis) [118]. Als  gevolg van intermittent hypoxia komt IL-6 tot expressie in hepatocyten en in macrofagen, en komt er vanuit de lever meer IL-6 in de circulatie [118]. M1 produceert o.a. IL-6 [116]. Ook in een celcultuur van levercellen is gemeten dat bij hypoxia polarisatie tot M1 macrofagen optreedt [118].

In TCM is de lever betrokken bij stagnatie, wat hier mogelijk verband mee kan houden. TCM associeerd lever met fase hout: plannen, ondernemen, jagen. Bij het jagen kan een situatie ontstaan dat er meer energie nodig is, dan aangeleverd wordt Dit kan stagnatie geven.

Milt: meestal meer M2 dan M1 macrofagen

De milt (in bovenbuik, relatief links van het midden, ook een beetje rechts) is het grootste perifere lymfoide orgaan, en is anatomisch nauw gerelateerd aan de lever. De milt beinvloedt het specifieke en het niet-specifiek immuunsysteem. De milt bezit veel fagocytose uitvoerende macrofagen. Doordat de milt circulerende apoptotische cellen opruimt, is een fine tuning van het immuunsysteem mogelijk. De milt bevat veel T-cellen en B-cellen, voor de productie van nieuwe immuuncellen en antilichamen, en is een reservoir voor circulerende monocyten, die snel naar verschillende ontstekingsplaatsen kunnen gaan, in geval van ontsteking. De milt maakt zowel pro-ontstekings-cytokinen (TNFalfa, IL-6) als anti-ontstekings cytokinen (IL-10). De pro-ontstekings cytokinen gaan vanuit milt direct naar lever (via splenic en portal venen). De secretie van anti-ontsteking IL-10 vindt voornamelijk via de milt plaats. De secretie van ontstekings cytokines wordt gehandhaafd door ander organen, zoals vetweefsel en lever [114, gemeten bij muizen op een dieet, dat veel vet bevat].

In TCM hoort de milt bij fase aarde, waar voeding bij centraal staat. Regulier zuivert de milt het bloed. Goed bloed brengt de nutrienten efficienter naar de cel. Voeding betekent ook herstel: M2 macrofagen zijn betrokken bij dit proces.

Verschil tussen linkerzijde en rechterzijde van het lichaam is dat de milt IL-10 afscheidt ter stimulatie van ontwikkeling van M2 macrofagen (uit M1 macrofagen) en de lever eerder IL-6 past bij deze TCM regel.

Verschil tussen linkerzijde en rechterzijde van het lichaam binnen TCM

De milt geeft IL-10 afgeeft aan de interstitiele ruimte, de lever IL-6. Wat is het effect op de zinkion concentratie in de interstitiele ruimte?

De milt scheidt IL-10 af, voor ontwikkeling van M2 macrofagen uit M1 macrofagen. M2 gedijt onder optimale zink concentraties: Macrofagen type 2 (toename door IL-10, afgescheiden door milt) produceren het groeihormoon ornithine, dat helpt in het herstelproces bij bijvoorbeeld wondgenezing. De intracellulaire synthese door M2 van ornithine wordt gestimuleerd door zinkionen. Een aantal immuuncellen (zoals neutrofielen en granulocyten) kunnen zink uitscheiden (in de vorm van exocytose van zinkblaasjes). Onafhankelijk van het immuunsysteem geldt: bepaalde cellen in de pancreas, relatief links in het lichaam gelokaliseerd, scheiden zink uit (betacellen: zinkexitose tegelijk met insuline).

De lever bezit vaak meer M1 macrofagen, die IL-6 afgeven aanhet bloed. M1 gedijt minder bij veel zinkionen. Macrofagen type 1 worden in hun cytoplasma door zinkionen geremd in hun productie van NO (waarmee ze pathogenen aanvallen).

Mogelijk ontstaat er door asymmetrie in lever en milt qua M1 en M2 balans een zinkgradient in de interstitiele vloeistof, oplopend van de rechterzijde van het lichaam naar de linkerzijde. Als rechts minder zinkionen bezit, zal de rechterpols eerder een zinktekort meten. Dit past bij het idee van kopergradient, waar in de linkerpols eerder een kopertekort gemeten wordt.

Het hypothetische TCM werkingsmechanisme stelt dat het verschil tussen de rechterzijde en de linkerzijde van het lichaam beschreven kan worden als een (intracellulair) afnemende gradient in koperionen, van rechts naar links. In het algemeen zal de linkerpols eerder tekenen vertonen van bloedstagnatie, stagnatie of bloedleegte [58], dat een relatie heeft met yinleegte. De rechterpols zal eerder tekenen vertonen van damp, dat zich uit yangleegte kan ontwikkelen. Eerder in dit artikel is beschreven dat de kopergradient mogelijk ontstaat doordat de lever 's nachts de meeste warmte produceert. 's Nachts dient het lichaam daarom de linkerzijde van het lichaam iets meer op te warmen. De spieren en bindweefselcellen van de linkerzijde hebben iets actievere of iets meer mitochondrien voor dit proces. Een disbalans door kopertekort zal eerder links bemerkt worden, omdat links meer nodig heeft in de mitochondrien, en minder koper overblijft voor andere processen, zoals de vorming van lysyloxidase.

Yin en yang zijn ten opzichte van elkaar relatieve termen, en staan ook voor licht en donker, voor mannelijk en vrouwelijk. Uiteraard zal niet alles te vertalen zijn in koper, zink en magnesium. Hier wordt nog een poging gedaan om mannelijk en vrouwelijk in termen van yang en yin te beschrijven. In de TCM geldt, dat de linkerzijde van het lichaam meer ''yang'' is en de rechterzijde van het lichaam meer ''yin'' ([Su Wen, hoofdstuk 80]). Met yang en yin wordt hier bedoelt: mannelijk respectievelijk vrouwelijk. Deze linksrechts tegenstelling is als volgt in de kopergradient van het hypothetische TCM mechanisme uit te drukken. Het idee dat mannen eerder een duidelijke linkerpols hebben en vrouwen een duidelijker rechterpols kan beschreven worden, gebruik maken van het hypothetische TCM mechanisme van dit artikel: een intracellulaire gradient in koperionen met links meer koperionen, rechts meer zinkionen. Meestal hebben mannen relatief meer spierweefsel en vrouwen relatief meer vetweefsel. Meer spierweefsel betekent meer mitochondrien die fission ondergaan, waarbij koperionen vrijkomen. Meer koperionen zijn dat beschikbaar voor de productie van lysyloxidase, voor een steviger bindweefsel, ook het bindweefsel om het polsvat. Bij gezonde mannen zijn beide polsen meestal duidelijk. Dat de linkerpols nog iets steviger is, wordt beschreven in de volgende alinea.

's Nachts produceert de lever de meeste warmte, en dient de linkerzijde van het lichaam iets meer opgewarmd te worden. De spieren en bindweefselcellen van de linkerzijde hebben iets actievere of iets meer mitochondrien voor dit proces. Bij energie in balans, zal overdag, de periode van fission van de mitochondrien, er rechts relatief meer fission zijn, waardoor daar relatief meer koperionen ter beschikking komen voor de lysyloxidase produktie. Dit valt bij mannen meer op, omdat zij sterkere spieren hebben.

Meer vetweefsel betekent meer zinkionen in de mitochondrien voor de productie van lipiden en cholesterol. Cholesterol is ook nodig voor de aanmaak van steroidhormonen zoals oestradiol, cortisol. Meer zink in de mitochondrien betekent minder zink in het cytosol. Hierdoor is er minder metallothioneine om de kopermoleculen naar het golgiapparaat te vervoeren voor de productie van lysyloxidase. Hierdoor hebben vrouwen vaak een iets minder stevige polsvat dan mannen om te palperen. De rechterpols iets steviger want: na een menstruatie kan een vrouw tijdelijk bloedleeg zijn, waardoor de linkerpols bij palpatie tijdelijk iets zwakker is.

Een dikkere man met minder spiergebruik, lagere conditie zal eerder een pols hebben die op de pols lijkt van vrouwen. Een magere gespierde veel sportende vrouw met stress zal eerder een pols hebben die op de pols lijkt van mannen.


Bijlage 9: Vitamine B12 en folaat: ''Hout voedt Vuur''

B12 en folaat supplementen in voeding vergroot mitochondriele oxidatieve capaciteit, en verbetert de mitochondriele biogenese via activatie van PGC-1Alfa [150]. Deze activatie vindt plaats door metylering. Hartfalen gaat vooraf met een afname in energievoorziening van de hart spiercel, door middel van inhibitie van oxidatieve fosforylatie en inhibitie van de oxidatie van vrije vetzuren [150].

B11 en B12 zijn betrokken in van mitochondrien bij het vervolg van de afbraak van deze vrije vetzuren. Dit zijn nutrienten die gebruikt kunnen worden voor de vorming van de protonengradient, waarmee ATP geproduceerd wordt. [150]. Zoogdieren hebben twee enzymen die B12 als cofactor hebben: methionine synthase in het cytoplasma en methylmalonyl-CoA-mutase (MCM) in het mitochondrium [151] . Nadat B12 is opgenomen in de cel, verblijft het in het lysosoom, waar het omgezet wordt tot transcobalamine. Indien nodig, verhuist het naar het cytoplasma of naar het mitochondrium [151]. In het cytoplasma is het betrokken bij de omzetting van homocysteine naar methionine. In het mitochondrium is het betrokken bij de vorming van succynyl-CoA uit de vetzuren: uit beta oxidatie van vrije vetzuren, in het stapje van methylmalonyl-CoA naar succinyl-CoA. Succinyl-CoA is een onderdeel van de citroenzuurcyclus: dit kan verder gebruikt worden voor vorming van ATP, maar het is ook belangrijk bij de vorming van proteines en porphyrinen (basis voor cytochromen en voor haem groep in hemoglobine) [153].

De activatie (methylering) van PGC-1alfa vindt plaats via het belangrijke molecuul SAM (s-adenosylmethoinine) dat gevormd wordt met behulp van B12 en folaat , dat homocysteine omzet naar methionine, en methionine wordt weer omgezet naar SAM [150]. Een toename van biogenese van mitochondrien kan plaatsvinden bij gelijkblijvende mitochondriele massa, omdat biogenese en mitofagie gecoordineerd optreden [150]. De mitochondriele turnover wordt efficienter [150].

B12 en folaat hebben daarom vermoedelijk een beschermende functie van het hart, gedurende extra belasting van het hart [150]. De lever is een belangrijke opslagplaats voor vitamine B12. Dit verhaal past bij het idee "hout voedt vuur'': een goede leverfunctie ondersteunt een goede werking van het hart. Dit is een van de manieren waarop het plaats kan vinden. De situatie wordt hier beschreven waarbij de mitochondrien aangestuurd worden door een grotere ATP behoeft, en een te kleine (stagnatie van) aanvoer van nutrienten, wat past bij de beschrijving van de seizoenspols die voor kan komen in het voorjaar.


Bijlage 10: Kleine hoeveelheden ROS verlengen de levensduur van de mens [154]

Het is duidelijk dat grote hoeveelheden ROS schadelijk zijn voor cel en mitochondrien. Geldt dit ook voor zeer kleine hoeveelheden ROS die in de mitochondrien ontstaan? Calorische beperking via dieet verlengt de levensduur en activeert de zuurstof consumptie door de mitochondrien: via een toename van de oxidatieve fosforylering. Verouderingsziekten, zoals diabetes mellitus 2, cardiovasculaire ziektes, neurodegeneratie en kanker starten dan op een latere leeftijd [154]. Terwijl dysfunctie van mitochondria leidt tot vroegtijdige veroudering [154].

Ook twee uur fysieke arbeid, physical excercises, laten de mitochondrien effectiever werken [154]. Het molecuul AMPK (amp-activated proteinekinase) neemt in het cytosol waar, of ATP/AMP afneemt, en zal in dat geval onder anderen de opname van vetzuren en glucose in de cel stimuleren [154]. (ATP-> ADP + P -> AMP + 2P). Ook stimuleert AMPK de transcriptiefactor PGC-1alfa, dat de biogenese van mitochondrien stimuleert [154]. AMPK toename gaat samen met een toename van mitochondriele activiteit [154].

Antioxidant supplementen voorkomen dit gezondheids bevorderend effect van calorische beperking [154]. Door de toename van de oxidatieve fosforylering in de mitochondrien zal ook ROS toenemen [154]. Deze ROS geeft een signaal vanuit mitochondria naar de andere cellulaire componenten, om aan te geven dat er een fysiologische of pathofysiologische verandering is opgetreden [154].

In termen van de hypothese van het werkingsmechanisme van acupunctuur: ook het prikken maakt vermoedelijk ROS vrij in het beschadigde gebiedje. Een van de manieren waarop de vrijgekomen ROS (in het mitochondrium of via prikken, via macrofagen) een signaal kan geven aan het cytosol en andere organellen is via zinkionen.

Bij mitochondrien kan dit als volgt gaan. Metallothioneine waaraan zink gebonden, kan van cytosol naar de intermembraanruimte van het mitochondrium. De ROS bindt steviger aan metallothioneine en verdringt het zinkion. De vrijgekomen zinkionen binden aan de buitenkant van complex 3 van de oxidatieve fosforylering, waardoor de mitochondria iets worden afgeremd. Omdat ROS echter ook fission stimuleert, zal het inefficientere deel met zinkionen afgesplitst kunnen worden en zinkionen weer vrij komen in het cytoplasma (binden aan andere moleculen) om daar de DNA expressie van metallothioneine te bevorderen, zodat de zinkionen hieraan kunnen binden. Superoxide dismutase is een enzym dat snel vrije zuurstofradicalen opruimt, en dat zinkionen als cofactor heeft. Sowieso zijn zinkionen betrokken bij allerlei DNA expressies (via zinkfingers). Dit kan bijdragen aan het verschijnsel [154], dat mitochondriele productie van een beetje ROS noodzakelijk is. Deze ROS kan, zoals [154] beschrijft ontstaan als er minder toevoer van nutrienten is dan ATP behoefte, zoals bij calorische restrictie of excercises. ROS kan ook ontstaan als er meer toevoer van nutrienten is en minder behoefte aan ATP, zoals bij obesitas. In het eerste geval wordt het zuurstofverbruik beperkt door gebrek aan nutrienten, in het tweede geval door gebrek aan ATP behoefte. Door beperking van zuurstofgebruik kunnen vrije radicalen ontstaan. Slecht werkende mitochondrien of een beperkt transport van nutrienten van darmen naar de cel is mogelijk een derde oorzaak voor toename van ROS.

Acupunctuur veroorzaakt vermoedelijk in de geprikte locaties het vrijkomen van ROS in het beschadigde gebiedje. Ook macrofagen ter plaatse, of aangetrokken door cytokinen, geven radicalen (NO) af. Radicalen dringen gemakkelijk via de membranen de cel binnen en in het cytosol kunnen ze zinkionen van metallothioneine verdrijven. Aan metallothioneine is ROS minder schadelijk. Bovendien zal metallothioneine de ROS transporteren naar lysosomen, alwaar het vermoedelijk onschadelijk wordt gemaakt. Een toename van metallothioneine zal meer zinkionen vasthouden in de cel, waardoor de potentie om ROS binnen mitochondrien af te vangen groter wordt. ROS van de mitochondrien activeert fission, waarna fusion weer mogelijk is, een kringloop ter bevordering van de efficientie van de mitochondrien. Dit geeft een beeld hoe het locale effect van acupunctuur zou kunnen werken en hoe zinkionen bij het prikken zich lokaal kunnen verzamelen. Omdat aan metallothioneine in de cel ook koperionen binden, kan ROS ook koperionen verdrijven en daardoor ook de locale toename van koperionen beschrijven tijdens het prikken.

Resumerend: relatief meer nutrienten dan ATP behoefte in de cel, vergroot de kans op ROS in de mitochondrien. Dit past bij fase Aarde in de Wu Xing cyclus. Een tweede situatie die de kans op ROS in de mitochondrien stimuleert, is wanneer er relatief meer ATP behoefte is dan nutrienten aanwezig zijn in de cel. Dit past bij fase Hout in de Wux Xing cyclus. Tijdens fase aarde komt gedrag voor waarbij spieren rond de maagmeridiaan, aan de voorkant van het lichaam, relatief meer actief zijn. Fase hout beschrijft gedrag dat gebruikt maakt van spieren rond de galblaasmeridiaan, aan de zijkanten van het lichaam. Fase hout uit evenwicht kan zich herstellen door: via fase aarde (qua gedrag door tekort aan nutrienten aan te vullen). Er treedt herstel op van mitochondrien 's nachts, tijdens het slapen (fase water) op door fusion van de mitochondrien. Een goede voorbereiding voor fase hout, fysieke activiteit, is fase aarde, nieuwe aanvoer van nutrienten in de cel. In de volgorde van deze processen is de Wu Xing kringloop zichtbaar. Bij pathologie, dit kan pijn zijn door een wondje zijn in het verloop van de meridiaan, of pijn bij indrukken van een punt (meestal acupunctuurpunt) in het verloop van de meridiaan, waardoor spieren minder belast worden en andere spieren relatief overbelast, worden de fasen niet volledig doorlopen. Behalve pijn kunnen ook andere oorzaken een rol spelen, zoals te weinig slaap, teveel stress, of ontstekingsprocessen, algemene verstoorde biochemie vertaald naar een effect op verandering in hoeveelheid koper, zink en magnesiumionen. Acupunctuur, met name de Japanse, maar ook de Chinese acupunctuur maakt gebruik van palpatie van acupunctuurpunten. Omdat het lichaam als geheel werkt, kan een blokkade op de ene plek een blokkade, een reactie, pijn, hebben op een andere plek, bijvoorbeeld op een ander ledemaat, voor handhaving van balans. In het algemeen wordt dit veel toegepast door de methode van Kiiko Matsumoto, een vorm van Japanse acupunctuur. Ook de pijnbestrijdingsmethode van Tan maakt hier gebruik van.

Een diagnostische plek in de Japanse acupunctuur, bij Chi Nei Tsang massage en bij Shiatsu massage is de hara, de buikzone, bij het zwaartepunt van het lichaam. Bij een perifeer probleem, bij het sparen van spieren in die bepaalde periferie, zal ter compensatie, de buik zich harder aanspannen in het centrum aan de kant van de ''gespaarde perifere locatie'', om het lichaam bij beweging stabiel te blijven houden, door de hara in alle richtingen gelijk te belasten. De pijnlijke plek op de buik kan daarom een indicatie zijn van een perifeer probleem. Perifere massage, of acupunctuur kan een goede eerste route zijn, om na te gaan of de gespannen locatie op de hara inderdaad gerelateerd is aan de periferie. Uiteraard hoeft dit niet in alle gevallen zo te zijn.

Het is een spannende ontwikkeling, dat recente ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek naar de werking van mitochondrien kunnen leiden tot de formulering van de hypotheses van het voorgestelde werkingsmechanisme van acupunctuur. Verder onderzoek is nodig om het werkingsmechanisme aan te tonen.